maandag 29 januari 2024

Kielse exoten

 



Halsbandparkiet. Foto National Geographic.


Kielse exoten

 

 

 

Een meiavond op het Antwerpse Kiel. Mijn betere helft en ikzelf besluiten, zoals we wel vaker doen, nog een avondlijk stapje in de wereld te zetten. Nora wil haar voorgenomen dagelijkse aantal stappen halen én ze wil checken hoe het met de eendenkuikens in het vijvertje op de hoek van de Wittestraat en de Boomsesteenweg gesteld is. Die kuikens zijn weesjes: moeder eend is verdwenen – overreden misschien, of verschalkt door een van de slechtvalken die op de woontorens in de buurt broeden – en de drie of vier woerden die de hele tijd in de buurt rondhangen, kijken niet naar de kleintjes om. De jongste twee weken doet elke wandeling het vijvertje aan omdat de ontwikkeling van de moedige weesjes nauwgezet moet worden opgevolgd. Ik wil mijn door artrose geteisterde onderrug en bekkengordel nog een beetje kunnen losgooien: niet dat het echt helpt, maar soms gaat door een wandeling de pijn toch wat verminderen, hoewel ze ook nu en dan erger wordt. Soit: bewegen is beter dan niet bewegen, lees en hoor ik overal, en vandaag werd nog maar weinig bewogen. Ergo, een wandeling. In en nabij het Kielpark zijn de kauwen, zwarte kraaien en eksters van de partij. Ze hippen en stappen over de gazons, waar dank zij het mooie lenteweer nogal wat mensen hebben rondgehangen in de loop van de dag en, helaas, ook afval hebben achtergelaten. Vooral verpakkingen van koekjes, blikjes van energiedrankjes en overschotten van wraps en durums zijn goed vertegenwoordigd. De kauwen en eksters zijn verzot op die dingen, niet alleen omdat er allerlei lekkers inzit maar ook, denk ik, omdat het aluminiumfolie waarin ze steevast zijn gewikkeld zo aantrekkelijk oogt voor een kraaiachtige die naam waardig. De merels hebben hun zangposten ingenomen en zingen erop los. Je hoort vooral merels in de buurt van het Kielpark, een zanglijster hebben we hier nog nooit gehoord voor zover we het ons herinneren. In de buurt van Den Brandt en het Nachtegalenpark is dat anders: daar hoor je tussen de melancholieke merelzangen door de energieke toccata’s van zanglijsters. Het Kielpark is waarschijnlijk voor een zanglijster niet bossig genoeg.

 

Een jonge moslima met een kinderwagen passeert ons. Ze is helemaal ingepakt: een zwart kleed dat tot de grond reikt, een hoofddoek die heel strak rond het gezicht sluit en het voorhoofd haast helemaal bedekt en een zwart mondmasker waarachter neus, mond en kin verscholen zijn. Ze draagt handschoenen. We zien alleen haar donkere ogen en daarmee kijkt ze een beetje schichtig – of beelden we ons dat in? Drie Marokkaanse jongens lopen een eindje voor ons. Ze spreken zeer luid, roepen haast, hoewel ze vlak naast mekaar stappen. Waarom praten die jonge gasten altijd zo luid? Deden wij dat vroeger ook? We vragen het ons af, en beseffen dat het antwoord wel eens “ja” zou kunnen zijn. Een man komt voorbij die hardop voor zich uit praat. We zien geen smartphone of oortjes, maar veronderstellen dat die er wel zijn. Een knappe Marokkaanse, in stijlvol wit gestoken, uiterst zorgvuldig gemaquilleerde en gecoiffeerde jonge vrouw – ik vermoed dat je minstens een uur of twee nodig hebt om je op die manier op te maken – passeert ons als we het park verlaten. Ook zij praat voor zich uit, bovendien filmt ze zichzelf met haar smartphone terwijl ze praat. Iets voor Tiktok wellicht? Gewoon stilzwijgend op straat lopen, door een park wandelen of op een bank zitten, lijkt niet meer van deze tijd, merken we wat knorrig op. Er moet lawaai geproduceerd, stilte is te mijden als de pest. Alsof hij deze vaststelling nog eens extra wil bevestigen, kruist een fietser ons pad terwijl hij luide muziek speelt. De fiets kraakt en piept, maar de installatie lijkt alleszins tiptop in orde.

 

Bij het vijvertje tellen we zeven eendjes. Enkele dagen geleden waren er nog acht, eentje heeft het blijkbaar niet gehaald. Ze zijn wel alweer flink gegroeid. Ze troepen samen op een kluit en lijken zich klaar te maken om te gaan slapen. Het ijle gepiep dat ze voorheen produceerden, lijkt stilaan plaats te maken voor volwassen eendenklanken. Hun dons is bezig te verdwijnen, te worden bedekt met echte veren, maar als ze hun piepkleine vleugeltjes strekken, merk je dat er nog een en ander moet gebeuren voor ze in geval van gevaar kunnen wegvliegen. 

 

We wandelen door de Tentoonstellingslaan en volgen dan de Volhardingsstraat tot de hoek van de Onafhankelijkheidslaan. Toen we hier vorige week waren, iets later op de avond dan nu, verzamelden zich op deze plek de Kielse halsbandparkieten in enkele boomkruinen om er de nacht door te brengen. Ook nu zijn ze er. Vanuit de Onafhankelijkheidslaan komt een groepje van misschien twintig parkieten luid krijsend aangevlogen. Ze vliegen enorm snel en zijn bijzonder wendbaar, als gevechtsvliegtuigen die een demonstratie ten beste geven. Ze verdwijnen in het gebladerte van twee esdoorns, waar ze het luidruchtige koor van de al aanwezige vogels vervoegen. Even later arriveert een tweede vlucht, maar een vogel of zes deze keer. We lopen de straat verder in als alweer een groep voorbijschicht, zeker vijftig helgroene vogels, met een enkel blauw exemplaar ertussen. We vorderen richting Eric Sasselaan, terwijl de ene vlucht na de andere voorbijflitst, soms maar enkele vogels, soms een groep van misschien wel honderd. Ik steek de straat over en ga bij de brug van de Mastvest staan, een van de laatste twee schansen die is overgebleven van de Grote Omwalling van Antwerpen die in de jaren 1860 werd uitgebouwd. De schans zelf is weg, maar de gracht is er nog en biedt, met bosachtige begroeiing eromheen, een kleine maar fijne groene oase. Bijna schreef ik: een oase van rust, maar dat is het niet echt. De autostrade bevindt zich op enkele tientallen meter afstand en haar aanwezigheid is soms oorverdovend. Vanuit mijn wachtpost vlakbij de brug, zie ik nog verschillende vluchten helgroene parkieten, met een enkele gele of blauwe ertussen, soms stil maar meestal uitbundig krijsend, van tussen de bomen schichten. Waar ze precies vandaan komen, is niet duidelijk. Wellicht komt een aantal van de andere kant van de Wilrijkse Plein, uit Den Brandt, het Nachtegalenpark en het Middelheim, om hier te overnachten. Nora heeft zich op het kruispunt van de Eric Sasselaan en de Onafhankelijkheidslaan gezet, en probeert met haar smartphone de vogels te filmen. Veel zal dat niet opleveren, vrees ik, want het gaat allemaal bliksemsnel. Maar dat speelt geen rol. We genieten volop. We hebben zeker driehonderd parkieten richting Volhardingsstraat zien vliegen, en in de esdoorns op de hoek van de straat en de linden aan de overkant zat het, te oordelen aan het getier, al vol vogels toen we arriveerden. Toen we hier een paar dagen geleden ook waren, zagen we vermoedelijk een kleine vijfhonderd parkieten door de Onafhankelijkheidslaan suizen. 


 



Het is altijd opwindend, zo’n grote vluchten met vogels gadeslaan. Enkele jaren geleden waren we in de Voer, en daar ontmoetten we tijdens een wandeling toevallig een paar zwermen overtrekkende kraanvogels. Met zijn honderden waren ze, en ze cirkelden een tijdje boven onze hoofden terwijl ze hun roep lieten horen, alvorens ze uit ons blikveld verdwenen. We hoorden daarna nog een tijdje hun geroep en veronderstelden dat ze ergens in een wei waren neergestreken. Kraanvogels zijn natuurlijk grote beesten, ook een enkele vogel is al imposant. De aanblik van een vlucht zwanen snijdt je eveneens de adem af, maar zelfs van één zwaan ben je al onder de indruk. En ik ervoer een paar weken geleden een onmiskenbare thrill toen ik, op een wandeling in het Brusselse, hoog boven mijn hoofd een dertigtal ooievaars zag rondcirkelen. Kleinere vogels zijn van nature mogelijk minder indrukwekkend, maar ook zij kunnen in grote aantallen adembenemend zijn. Als zeventienjarige frequenteerde ik met mijn kozijn Remy een tijdje het Verdronken Land van Saeftinghe. Ik herinner me nog die ene keer dat we met een groepje – een paar gidsen, Remy en zijn kameraad Walter, ik – ’s ochtends in het schor waren gegaan en ons daarna door het opkomende water hadden laten insluiten op, denk ik, de Marlemontse Plaat. Toen het tij opkwam, verlieten de duizenden vogels de slikken waarop ze hadden gefoerageerd en vlogen de schorren in, over onze hoofden. Grutto’s, rosse grutto’s, scholeksters, kemphanen, wulpen, kluten, zilver- en goudplevieren en diverse strandlopers trokken in golven over ons heen. Het is haast een halve eeuw geleden en de precieze omstandigheden van onze trip in het schor herinner ik me niet of nauwelijks. Was het echt op de Marlemont, of veeleer op de Noord of misschien wel op het Konijnenschor dat we op het terugtrekkende tij wachtten? En waarom waren we precies met een groepje gidsen de schorren ingegaan? Ik zou het niet weten. Mogelijk hebben we meer dan één keer de vloed uitgezeten op een schor, maar heeft alles zich in mijn herinnering gecondenseerd tot dat ene onvergetelijke gebeuren, waarvan de scherpe contouren helaas zijn vervaagd. Het onbeschrijfelijke gevoel van opwinding dat zich van mij meester maakte, kan ik me echter nog zo voor de geest halen. Ik ga niet beweren dat de paar honderd parkieten die ik bij valavond door een Kielse straat zag scheren, mij evenzeer van slag brachten als indertijd de schier eindeloze wolk van wadvogels in Saeftinghe. Maar opwindend waren ze, niets minder dan dat. Zwermen parkieten op het Kiel, kan je nagaan.

 

Maar: er is inderdaad een maar. Mag dat wel, zwermen halsbandparkieten op het Kiel fijn vinden? Of in de Hobokense Polder, in het Mechels Broek, in Mispeldonk of waar ook in Vlaanderen waar deze bonte schreeuwers een min of meer stabiele populatie hebben opgebouwd? Kan je als natuurliefhebber, begaan met de bescherming van wat ons nog rest aan biodiversiteit, met goed fatsoen genoegen beleven aan de toch wel talrijke aanwezigheid van invasieve exoten? Want dat is de halsbandparkiet toch: een vogel die hier niet thuishoort? Evenmin als de nijlgans, dat naar verluidt vreselijke beest dat godbetert Dimitri Leue zomaar heeft aangevallen zodat de mens naar de kliniek moest. En las ik in Het Laatste Nieuws niet dat nijlganzen én Canadese ganzen in het park van Sint-Niklaas zowaar agressief sissen naar de mensen en zelfs naar kleine eendjes happen? Invasieve exoten, aliens in feite: ze maken onze natuur kapot. Zo lees ik het toch overal. Maar ik vraag me af of dat wel klopt. Invasieve exoten zijn gewoonlijk uiterst flexibele opportunisten die alleen maar gebruik maken van de kansen die wij voor hen creëren. Ze gaan maar heel zelden een uitgebalanceerd, in evenwicht verkerend ecosysteem (voor zover zoiets al bestaat) omverwerpen: gewoonlijk invaderen zij een ecosysteem in crisis, iets wat door mensen al diepgaand was aangetast. Wij maken gaten en zij vullen ze op, zoiets. Enfin, het is uiteraard een pak complexer dan in twee woorden en met enkele dooddoeners kan worden afgehandeld. Ik zwijg er hier verder dan ook over. 

Maar de parkieten: ik vind het fijn dat ze er zijn, hier op het Kiel. Hun felgroene, krijsende en flitsende aanwezigheid maakt me blij.


(c) Clement Caremans 2023

 


Halsbandparkieten op een balkonrailing in Oegstgeest, Nederland.
Foto Arnout Vos.