zaterdag 16 april 2022

Ulex europaeus


Gaspeldoorn (Ulex europaeus). Brasschaat, maart 2022.
Foto Nora de Smet.



Ulex europaeus


 


Van de drie tandartsen die mijn betere helft frequenteert, woont er een in Sint-Job-in-’t-Goor. Haar huis met praktijk staat in een van die steriele residentiële nieuwbouwwijken waar Vlaanderen een patent op lijkt te hebben: meestal zielloze, keurige woningen waarvan de fantasieloosheid modern heet te zijn, afgewisseld met al even saaie bouwsels in fermette- of pastoriestijl, een of meer garages ernaast, een voortuin met minutieus gemaaid gras waaruit elk klavertje of madeliefje werd geweerd, of met heel veel grint en een enkele keer hier en daar een getrimde struik. Vogels of andere levende wezens hebben hier maar weinig te zoeken en een mens komt er ook alleen maar omdat hij er woont of, zoals in het geval van mijn liefste, als dentale en parodontale toestanden ertoe nopen. Ik herinner me nog hoe ik als kind vaak in Sint-Job kwam, toen nog grotendeels een Kempisch boerendorp met hier en daar een buitenhuisje van mensen uit Antwerpen. De nonkel van mijn moeder had daar zo’n bungalow, en zijn twee dochters, de nichten van mijn ma, verbleven er in de zomer altijd een poosje. Wij gingen er dan wel eens op bezoek: aanvankelijk met de boerentram, denk ik, en later met de bus. Als ik het goed heb stapten we van de tram of de bus ergens in de buurt van het kanaal Dessel-Schoten en van daar was het, over het oude brugje, nog een flink eind stappen naar de Bergsebaan, waar de bungalow stond middenin een stukje dennenbos, met rododendrons eromheen. Een mooi bakstenen huisje was het, zonder verdieping maar toch met een eetkamer, een keukentje, twee slaapkamers en een veranda. Het was allemaal piepklein, veronderstel ik, maar ik vond het niettemin fantastisch.

 

Meestal reden we naar Sint-Job met Josephine, de oude Opel Olympia van Marieke, een van de nichten in kwestie. Marieke, mijn meter, was de jongste en ongehuwd, haar een paar jaar oudere zus Lina was getrouwd met Pierre en had een zoon en een dochter, die negen en acht jaar ouder waren dan ik en waar ikzelf en mijn jongere zus dus nauwelijks een echte band mee hadden. Lina en Marieke leefden in een merkwaardige symbiose. Ze woonden naast mekaar op het Wilrijkse Valaar, in twee haast identieke huizen. Lina en Pierre stonden beiden in het onderwijs en Marieke deed hun huishouden, speelde chauffeur en verhuurde kamers aan studenten, meestal Limburgse jongens die in Don Bosco in Hoboken voor ingenieur studeerden. Pierre was niet bepaald handig en voor de meest uiteenlopende werkjes werd een beroep gedaan op mijn pa. Ook als er wat te doen was in Sint-Job. Dan werd mijn pa erbij gehaald om de zaak te fiksen: Marieke pikte hem op met zijn loodzware gereedschapstas en als we geen school hadden, mochten mijn zus en ik soms mee. Wij waren het niet gewend om met vakantie te gaan, dus zelfs een uitstap naar Sint-Job was voor ons een klein avontuur. In de auto zongen we 

 

En we rijden naar Sint-Job 

op nen ezel op nen ezel,

en we rijden naar Sint-Job

op nen ezel zonder kop. 

Of:

We zijn er naar Sint-Job gegaan

Met vrienden ondereen.

Het was niet om te drinken 

Maar om Sint-Job te zien te zien te zien te zien te zien, 

 

een liedje waarvan de aanvang een merkwaardige gelijkenis vertoont met het begin van het vierde deel, het Presto, van Schuberts strijkkwartet Der Tod und das Mädchen.

We vonden het geweldig om, terwijl pa aan het werk was, in het stukje bos, in onze ogen een waar oerwoud, mastentoppen te rapen of in de verwilderde wei ernaast, de brousse, braambessen te plukken. Wij hadden nog niet door dat er een uitgekiend programma van het nuttige aan het aangename paren achter verscholen zat: wij amuseerden ons met het sprokkelen en plukken, en spelenderwijs zorgden wij ervoor dat Marieke en Lina bessen hadden voor hun confituur en aanmaakhout voor de kachel. Maar ik kon deze proeve van kinderarbeid toch enigszins naar mijn hand zetten, want ik zorgde ook wel voor mezelf - ik plukte niet alleen bessen, maar verzamelde ook planten voor het herbarium dat ik in die tijd aanlegde. Want er groeiden niet alleen den en braam op het lapje grond langs de Bergsebaan: de brousse kleurde vanaf april grotendeels geel door de talrijke bremstruiken, er groeiden wegedoorn en sporkehout en vogelkers en sleedoorn, er waren salomonszegel en look-zonder-look en dalkruid en op minder dan twintig meter van de bungalow, op de grens van het dennenbos en de brousse, was er een plekje waar moeraswespenorchis stond. Jarenlang heb ik mijn herbarium, met daarin dus ook een reeks planten uit Sint-Job, als een goudschat gekoesterd, tot op zeker moment een of ander kevertje erin slaagde al mijn kostbaarheden op te vreten en alleen nog de witte bladen met hun identificatie- en vindplaatsgegevens overbleven. 

 

Een enkele keer bleven we wel eens een paar dagen in de bungalow. Dan sliepen we in een van de kleine slaapkamertjes in een bed met heel hoge poten tussen lakens die, zo herinner ik het me toch, steevast wat klam aanvoelden. Er zaten altijd wel enkele forse spinnen, tot grote horreur van mijn ma, en in de zomer deed je ’s nachts geen oog dicht van de muggen. ’s Morgens moesten we ons wassen aan een teiltje met water uit de betonnen regenput die vlak naast de bungalow lag en uiteraard als een magneet voornoemde muggen aantrok. Het water rook altijd wat zuur, ik vermoed van de dennennaalden. We gingen ook wel eens mee naar de boerin aan de overkant van de Bergsebaan, die door mijn familie Tante Gusta werd genoemd. Daar werden verse eitjes en de groenten van het moment ingeslagen: snijbonen, prinsessenboontjes, spinazie, witloof, tomaten, sla... Er was een dochter, of een kleindochter, die vogels en bloemen schilderde op vazen, drinkglazen en pinten. Ik herinner me dat Marieke en Lina niet zuinig waren met hun lofbetuigingen voor de artistieke capaciteiten van het meisje. Ik vermoed dat die eulogieën wel eens voor een paar extra kroppen sla of een kilo tomaten surplus zorgden.

 

Van dat Sint-Job, het Kempische gat zoals ik het mij herinner uit de jaren 1960, is zo goed als niets over, en als je in de wijk rondloopt waar de tandarts van mijn eega haar praktijk heeft, kan je je nauwelijks voorstellen dat er ook daar ooit bos, hei en weiland was – alleen een nog niet volgebouwd perceel hier en daar doet vermoeden dat er hier ooit iets anders groeide dan kortgeschoren gras en getrimde buxus. Nochtans, zegt de tandarts, kan je vlak in haar buurt heel fijn wandelen. We geloven haar op haar woord, maar hebben nog niet geprobeerd haar suggestie – niet ver van haar huis is er een pad dat naar verluidt naar een mooi stukje bos voert – te volgen. Hoewel we dat zeker binnenkort eens gaan doen. Want ik besef dat ik maar een heel rudimentair beeld heb van Sint-Job-in-‘t-Goor. Toen ik er als kind kwam, heb ik in feite alleen maar de Bergsebaan en wat eraan grenst gezien, en de route die van de Bredabaan daarheen voerde. Ik weet van het bestaan van de Vraagheide, en als ik op de landkaart kijk, merk ik dat ze maar een steenworp van de Bergsebaan verwijderd is: ongetwijfeld ben ik daar ooit wel eens in de buurt geweest, denk ik dan. Maar ik herinner me er niets van. Herinneringen aan de kinderjaren: ik heb er eigenlijk steeds minder fiducie in. Het geheugen is een verraderlijk ding, en wat ik denk mij te herinneren, is ongetwijfeld verre van exact. Niet alleen is het verleden een vreemd land waarin ze de dingen anders deden, mijn jongere ik is in belangrijke mate ook een vreemdeling, iemand met wie ik nog wel enige verwantschap veronderstel maar van wie ik in feite niet meer weet wat hij dacht en voelde. Sint-Job is uiteraard allang niet meer wat het was in de jaren 1960, maar dat geldt ook voor mij. Me terdege bewust van de valkuilen van mijn memorie, neem ik me voor in de nabije toekomst nog wat in Sint-Job rond te neuzen, in de buurt van de Vraagheide bijvoorbeeld. Maar intussen hebben we er telkens de voorkeur aan gegeven om redelijk vlakbij in Brasschaat wat rond te stappen, in de buurt van de Mik en de Inslag. 

 

Zo ook enkele weken geleden. Eerst even naar de zwarte zwanen gaan kijken in het domein de Mik, het gemeentepark van Brasschaat. De vijver is onlangs uitgebaggerd en er is een nieuwe betuining aan de oever geplaatst. Toen ik dat een paar maanden terug voor het eerst zag, stelde ik me er al vragen bij. Door de houten betuining is er geen geleidelijke overgang meer tussen water en land: niet alleen is alle oevervegetatie verdwenen, maar de watervogels hebben ook de grootste moete om uit de vijver aan land te komen. Voor de wilde eenden, de nijlganzen en de Canadese ganzen is dat geen probleem, die vliegen gewoon even op uit het water en landen op de oever. De gekweekte ganzen en eenden hebben het daar al wat moeilijker mee, en voor de zwanen is het echt onbegonnen werk. Er zijn wel enkele opstapjes aangebracht, maar die zijn zo steil dat een zwaan er geen gebruik van kan maken. De zwarte zwanen – een mannetje en zijn dochter van vorig jaar – kunnen bijvoorbeeld niet meer op het eiland in de vijver, waar ze probleemloos konden nestelen, veilig voor de vossen. Nu proberen ze een nest te bouwen dicht bij de oever op het vasteland, op enkele meters slechts van de wandelweg, niet alleen heel bereikbaar voor vossen maar ook voor de talrijke honden van wie de baasjes het vaak vertikken ze aangelijnd te houden – terwijl de moeder van de jonge zwaan nochtans vorig jaar door een hond werd doodgebeten. We slaan een praatje met parkwachter Gonda die hier al bijna 40 jaar woont en nog een andere dame uit de buurt, en geen van beiden heeft er een goed oog in: de werken aan de vijver hebben heel veel geld gekost maar het resultaat is maar zus en zo en voor de vogels is het zeker niet beter geworden.

 

Na een pannenkoek naar binnen te hebben gewerkt in de kinderboerderij Mikerf, gaan we naar de Inslag, waar we een week geleden tegen de avond nog een groepje reeën zagen. De Inslag vormde vroeger met het huidige gemeentepark één geheel, het domein de Mik, het buitengoed van de edelman en bankier Henri Joseph Stier van Aertselaer, die langs moederszijde van Rubens afstamde. Oorspronkelijk, in de tijd toen Brasschaat en Maria-ter-Heide nog schamele, armlastige gehuchten van de heerlijkheid Ekeren waren, bewoond door keuterboertjes, was het hele gebied heide geweest, die later werd ontgonnen als akker- en weiland – Inslag komt van inslach, dat “ontginning” betekent. Stier liet er het kasteel de Mik – Hof ter Mick – optrekken in de jaren 1780-1785, maar verliet het domein tijdens de Franse overheersing en trok met zijn familie naar Amerika, waar hij in Maryland, vlak bij Washington, een tabaksplantage uitbaatte en het landgoed Riversdale bouwde, naar verluidt een getrouwe kopie van het Hof ter Mick. Tenminste, van hoe het Brasschaatse landhuis er oorspronkelijk uitzag, want het werd later ingrijpend verbouwd, zodat er vandaag niet veel gelijkenis meer is. Toen Stier in 1803 met zijn familie naar de Lage Landen weerkeerde, ging hij weer op zijn landgoed wonen, dat hij beplantte met bomen uit Amerika, zoals sequoia’s en Amerikaanse eiken. De jongste dochter Rosalie bleef in Maryland, waar ze trouwde met George Calvert, volksvertegenwoordiger voor Maryland. Calvert was een nazaat van lord Baltimore, die in feite eveneens George Calvert heette, en die in de jaren 1630 de kolonie Maryland had gesticht, een toevluchtsoord voor katholieken.  Een van de negen kinderen van Rosalie en George Calvert, Charles Benedict Calvert, stichtte het Maryland Agricultural College, dat aan de basis lag van de University of Maryland. Afstammelingen van Rosalie Stier trouwden met telgen van de Washingtons, de Rockefellers, de Vanderbilts enz. Rosalie zelf schreef een uitgebreide correspondentie bij mekaar, waarin ze het vaak heeft over muziek. Ook over de muziek uit haar prille jeugd, toen ze nog in het Antwerpse woonde. Toen ik nog verantwoordelijk was voor het Museum Vleeshuis | Klank van de Stad, hadden mijn collega Tim de Paepe, nu directeur van het Vleeshuis, en ikzelf het idee om aan de hand van de muzikale reminiscenties van Rosalie een tentoonstelling samen te stellen over de muziek die zij in haar jonge jaren heeft gehoord. Die expo werd door omstandigheden niet gerealiseerd, maar misschien komt het er ooit nog van. Hoop ik. Enfin, ik dwaal af: ik had het in feite over vader Stier en de Mik. Na de dood van Henri Joseph, kwam de Mik in handen van zijn dochter Isabelle en zijn schoonzoon Jean-Michel van Havre. Na de dood van Isabelle liet van Havre in 1830 door de Oostenrijkse architect Charles-Henri Petersen een Engelse landschapstuin aanleggen op het domein. De gronden bleven nog even in handen van de familie van Havre, gingen vervolgens over op hun erfgenamen della Faille de Leverghem en werden rond 1880 in tweeën gedeeld. De bebossing uit de tijd van Stier en van Havre werd tijdens de Eerste Wereldoorlog grotendeels teruggedraaid door houtkap op grote schaal. Van het noordelijke deel maakte de gemeente Brasschaat in 1949 een park, het zuidelijke deel, de Inslag, werd een natuurgebied dat wordt beheerd door de Vlaamse Gemeenschap. Het kasteel de Mik is vandaag een herstellingsoord. Blikvanger in het gemeentepark is de merkwaardige torenpoort met brug uit 1830, die een kopie zou zijn van de Porte d’Auron in het Franse Bourges. 



Henri Joseph Stier van Aertselaer.


Riversdale, Maryland.

 

Torenpoort in park de Mik. Brasschaat.
Foto Nora de Smet.



Kasteel de Mik. Brasschaat.


Kasteel de Mik. Brasschaat.



Dwars door de Inslag werd in de jaren 1937-1938 een verdedigingsgracht gegraven, het antitankkanaal, dat een onderdeel vormt van de defensielinies rond Antwerpen. Het antitankkanaal loopt van Berendrecht tot Oelegem in een halve cirkel van ongeveer 33 km en op zo’n 15 km van het centrum van Antwerpen. Het is minstens 6 meter breed en was oorspronkelijk geconcipieerd als droge gracht die tanks en pantservoertuigen van vijandelijke legers moest tegenhouden. Tijdens de aanleg bleek echter al spoedig dat het onmogelijk was de gracht droog te houden, en dus werd het een kunstmatige waterloop, die de Schelde moest verbinden met het Albertkanaal. Die verbinding is er inmiddels niet meer: in Berendrecht wordt de toegang tot de Schelde nu door het Kanaaldok en het Delwaidedok afgeblokt, in Oelegem heeft de aanleg van het Duwvaartkanaal de verbinding met het Albertkanaal afgesneden. Het is fijn fietsen of wandelen langs de antitankgracht, en we besluiten dat tweede te doen, kwestie van onze zere rug een portie beweging te gunnen en wat pannenkoekencalorieën te verbranden. Voor een groot deel is het kanaal een mooie waterloop met een soms interessante water- en oevervegetatie en aardig wat watervogels: meerkoeten, waterhoenders, wilde eenden, krakeenden, zelfs hier en daar een kuifeend, aalscholvers en uiteraard de obligate nijlganzen, die zich onledig houden met de rest te koeioneren. Er zitten ook ijsvogels, maar die krijgen we niet te zien. Er groeit veel lisdodde langs de oever en ook riet en gele lis, en in het water denk ik onder andere net onder de oppervlakte waterranonkel te zien, die binnenkort gaat bloeien. Het kanaal is slecht onderhouden, staat op veel plekken zo goed als droog – de watertoevoer vanuit het kanaal Schoten-Dessel moet worden geregeld met sluizen en sassen, maar een belangrijk deel daarvan is al jaren kapot – en aanzienlijke stukken zijn zonder meer illegale stortplaatsen die ongemoeid worden gelaten, we zijn tenslotte in Vlaanderen nietwaar.

We wandelen langs het kanaal naar het noordwesten, richting Kapellen. Het gaat vrij moeizaam, want omdat het weer al even droog is gebleven en we nergens modder verwachtten, hebben we het vertikt om bottines aan te trekken. Niet zo’n beste keuze, blijkt al gauw: hier en daar zouden dikke geribbelde zolen welkom zijn. En mijn door artrose geplaagde ruggenwervels spelen me parten. Maar niet getreurd: het is prachtig weer en ook al is aan de meeste bomen nog geen blaadje te bespeuren, merels, heggenmussen, roodborstjes en spreeuwen zingen erop los.  


 

Antitankkanaal, Brasschaat.
Foto Nora de Smet.


Antitankkanaal, Brasschaat. 
Foto Johan N.



Een struik langs de rand van het pad waarop we lopen, trekt mijn aandacht. Een opvallende struik, dicht bezet met lichtgele bloemen die een zachte geur verspreiden, een beetje kokosachtig met een zweem van vanille. Op het eerste gezicht is het een soort brem, maar bij nadere beschouwing blijkt het toch iets anders: de plant heeft immers geen bladeren, maar alleen maar stekels en doorns. Gaspeldoorn is het, in het wetenschappelijke Latijn Ulex europaeus, een soort die ik hier niet onmiddellijk verwachtte. Het geeft me een lichtjes opgewonden gevoel deze plant hier te vinden. Weliswaar niet de thrill die door je heengaat als je voor het eerst oog in oog staat met een kapitaal edelhert, als je je eerste wespendief voor je neus krijgt of wanneer een vlucht wilde zwanen een meter of twee boven je hoofd overvliegt, maar toch de gewaarwording van iets ongewoons. Gaspeldoorn. Bij mijn weten is het de eerste keer dat ik er een zie in de omgeving van Antwerpen. We gaan verder en het blijft niet bij die ene struik. Over een afstand van een paar honderd meter staat er nu en dan een solitair exemplaar, dan weer een groepje van meerdere planten bijeen. 


Gaspeldoorn.
De vlinder is de roodbandbeer (Diacrisia sannio), boven ♂, onder ♀.
Uit J. Curtis, British Entomology (1823).

 


Ik ken de gaspeldoorn in feite nog niet zo heel lang. Ongetwijfeld heeft zijn relatieve zeldzaamheid ermee te maken dat ik hem pas laat voor het eerst zag. Maar ik wist lange tijd zelfs gewoon niet af van zijn bestaan. Wellicht is dat wat vreemd. Ik was immers al heel vroeg geïnteresseerd in planten, wilde zowel als gekweekte, en ik was maar een jaar of tien toen ik mijn herbarium begon aan te leggen. Ik speurde in mijn omgeving naar wat er allemaal groeide en overal waar ik kwam, werden planten of stukjes plant mee naar huis genomen om aan de verzameling te worden toegevoegd. Alles was welkom: het straatgras en het varkensgras tussen de stenen van het trottoir, de diverse onkruiden in de tuin – de brandnetels bij de mesthoop, het perzikkruid dat welig tussen de rijen met aardappelen woekerde, de vogelmuur, de stijve klaverzuring, het herderstasje, de breedbladige weegbree, de liguster en de haagbeuk die in onze tuinhaag groeiden en de winde die in die haag woekerde, de grote waterweegbree, de waterviolier, het leverkruid, de vlasleeuwenbek en de heelblaadjes in de polder… Ik heb in de jaren dat ik veel tijd en energie stak in mijn herbarium, echter nooit gaspeldoorn ontmoet op een van mijn verzameltochten. Op sommige van de plekken waar ik als kind en in mijn vroege tienerjaren kwam en planten oogstte – de Hobokense Polder, Fort VII in Wilrijk en Fort VIII in Hoboken, hetgeen einde jaren 1960 nog restte van de Wilrijkse Plein, de Kalmthoutse heide, Sint-Job – groeide de struik misschien wel, maar heb ik hem in ieder geval nooit gevonden. Toen ik later vrij vaak in Halle en Zoersel rondhing, heb ik er daar evenmin ooit een gezien. In de buurt van het Verdronken Land van Saeftinghe, waar ik de eerste helft van de jaren 1970 veel kwam, idem dito – gaspeldoorn is nu eenmaal geen zoutminnende soort. Op wandelingen in Mol, Oud-Turnhout, Kasterlee of elders in de Kempen zag ik nooit gaspeldoorn. Of misschien zag ik hem er wel, want in de Kempen komt hij op meerdere plekken voor, maar registreerde ik hem niet. 


Gaspeldoorn. Brasschaat, maart 2022.
Foto Nora de Smet.

 


Een herbarium aanleggen betekent niet alleen planten opmerken als je gaat wandelen, wat je vindt moet ook op naam worden gebracht. Dus zit je vaak met je neus in de flora’s en andere determinatieboeken, met de loep in aanslag: soms moeten er immers meeldraden worden geteld en dat soort dingen. Als je geïnteresseerd bent in planten, beperk je je echter niet tot het determineren van wat je vindt: je gaat ook over andere planten lezen, die je nog niet kent. Althans, zo was het toch bij mij. Wel, ik heb vroeger niet alleen nooit gaspeldoorn gezien, ik las er ook nooit over in een van mijn toenmalige botanische bijbels. Nu ben ik speciaal nog eens gaan neuzen in de vulgariserende Nederlandstalige botanische literatuur die ik destijds ter beschikking had, en daarin vind je niet zoveel over Ulex europaeus. Sommige boeken over de struiken en heesters van onze streken of, wat ruimer, flora’s van de Lage Landen, blijken de plant gewoon niet op te nemen. Hij staat niet in het eerste plantenboek dat wij ooit in huis hadden, de Herba Encyclopedie van de intussen allang verdwenen uitgeverij Familia, een boek over geneeskruiden met prentjes die je moest inplakken. Mijn allereerste flora, de Prisma-flora van J.E. Sluiters, vermeldt hem wel en toont er zelfs een prentje van, een lijntekening in zwart-wit. Maar die heb ik, vrees ik, nooit opgemerkt – ze valt ook nauwelijks op tussen de vele honderden pentekeningen in het boekje. In het volgende determinatieboek dat mijn bescheiden bibliotheekje verrijkte, de heel mooi geïllustreerde Nieuwe flora in kleur, oorspronkelijk een Deense publicatie, is van de gaspeldoorn geen spoor te bekennen. Ook de beschrijving en het weinig aantrekkelijke prentje van de soort in de Geïllustreerde flora van Nederland van Heimans, Heinsius en Thijsse, jarenlang mijn botanische alfa en omega, zijn me blijkbaar ontgaan. Harry Garms’ Planten en dieren van Europa, een boek dat ik toen ik een jaar of twaalf was met Sinterklaas kreeg en dat ik bij wijze van spreken onder mijn hoofdkussen stak als ik ging slapen, geeft een summiere beschrijving van de plant en beeldt hem duidelijk herkenbaar af, in kleur – Wilhelm Eigener, de illustrator, was een grootmeester van de biologische prent – maar te midden van een aantal bremsoorten waartussen hij mij zo te zien nooit is opgevallen. In een boek dat ik in die jaren heb stukgelezen, de tweedelige Prisma-uitgave De natuur in lente, zomer, herfst en winter van Hans-Wilhelm Smolik, komt de gaspeldoorn nergens ter sprake. 


Gaspeldoorn.
Uit H.L. Duhamel du Monceau, Traité des arbres et arbustes.
Nouvelle édition (1800).

 


Toen in de loop van de tijd mijn belangstelling voor de biologische aspecten van planten werd uitgebreid met de interesse voor plantlore en etnobotanie en ik bijgevolg ook daar veel over begon te lezen, kwam ik niettemin de gaspeldoorn niet tegen, toch niet in de boeken die ik onder ogen kreeg. Ik las allerlei publicaties, oudere en recente, over het medicinale, rituele en entheogene gebruik van allerlei planten, over hun rol in mythen, sagen en andere traditionele verhalen, over hun metaforische gebruik in literatuur en kunst. Maar geen gaspeldoorn. In Boom en struik in bos en veld van Blöte-Obbes, bijvoorbeeld, wordt de gewone brem wel behandeld, maar de gaspeldoorn niet. Philippe van Wersch laat in Folklore van wilde planten bomen en struiken links liggen. Het vuistdikke Compendium van rituele planten van Marcel de Cleene rept niet over Ulex europaeus en ook in De plantencode van dezelfde auteur ontbreekt hij. Zelfs in Isidoor Teirlincks onvervangbare trilogie over plantlore Plantenkultus – Flora magica – Flora diabolica wordt de plant slechts terloops vermeld. Dat mijn lectuur me nooit met gaspeldoorn confronteerde, klopt natuurlijk niet helemaal, want ongetwijfeld heb ik hem ontmoet, bijvoorbeeld in Robert Graves’ The White Goddess. In dat vreemde, fascinerende boek heeft Graves het onder meer uitvoerig over het Keltische ogham-alfabet, waarvan de letters naar bomen en struiken zijn genoemd. Eén van die bomen zou de gaspeldoorn zijn, gorse of furze in het Engels. Maar al heb ik The White Goddess vele jaren geleden heel aandachtig uitgespeld, wat Graves schrijft over de gorse is me niet bijgebleven. En wat Richard Mabey erover vertelt in zijn heerlijke Flora Britannica, een boek waarvan de inkt nauwelijks was opgedroogd toen ik het met Kerstmis 1996 in Londen kocht, heb ik pas later gelezen, toen ik de echte gaspeldoorn, de levende plant en niet die uit de boeken, in al zijn glorie had leren kennen.

 

Dat was, om een lang verhaal kort te maken, toen mijn betere helft en ik in de jaren 2000 regelmatig naar Engeland begonnen te gaan, niet naar Londen of Canterbury, maar naar het platteland van Sussex, Suffolk, Devon, Somerset of Dorset. Daar kan je echt niet naast Ulex europaeus kijken: overal langs de kust vind je de plant, in al zijn glorie inderdaad – grote delen van de moors en de heaths zijn ermee bedekt, het eclatante geel van de overvloedige bloemen wedijvert met het paars van de heide en het bronsgroen van de adelaarsvaren en doet er soms haast zeer aan de ogen. Ik vergeet nooit hoe we in 2009 op Dunwich Heath een paartje heel drukke Provençaalse grasmussen, de Dartford warbler van de Britten (Sylvia undata dartfordiensis (Latham)) observeerden die zich een grillige weg baanden langsheen de bloementuilen, toen we plots oog in oog stonden met twee edelherten, die als uit het niets opdoken van tussen de furze. De vanilleachtige kokosgeur van zo’n massa gaspeldoorn is haast bedwelmend, zelfs al staat er wel wat wind, zoals gewoonlijk op de Britse heidevlakten. 

Dit alles maar om te zeggen, dat Ulex europaeus voor mij een late ontdekking is, dat ik de plant nooit bewust waarnam hier in België en hem daarom waarschijnlijk altijd spontaan met Groot-Brittannië in verband zal brengen. Zodat een toevallige ontmoeting in een berm in Brasschaat mij niet onverschillig liet.  


***


Gaspeldoorn, ik vind het een mooie naam. Veel plantennamen klinken mooi en hebben bovendien iets mysterieus: vaak hebben ze archaïsche wortels en daardoor kan je ze niet onmiddellijk verklaren, wat hen dan met een onmiskenbaar poëtisch aura omhult. Guichelheil, goudveil, beekpunge, sporkehout, andoorn, gamander, ganzerik, hertshooi, tormentil, zenegroen, agrimonie, pimpernel, fenegriek, krodde, rapunzel, scheerling, ballote… veel namen worden pas begrijpelijk als je ze uit mekaar haalt en de etymologie van de samenstellende delen natrekt, andere blijven zelfs na grondig uitbeenwerk duister. Ook gaspeldoorn hoort wat mij betreft in het rijtje van de benamingen met een hoog poëtisch gehalte, maar kan wel perfect worden verklaard. Gaspeldoorn, of gaspeldoren, zoals Rembert Dodoens schrijft, bevat het element gaspel, een verkleinwoord van het Middelnederlands gaspe, “gesp” of “haak”. Het etymologisch woordenboek van Van Dale geeft daarbij als toelichting dat doorns van planten in de vroege middeleeuwen werden gebruikt om er kleding mee te sluiten. De doorns van Ulex europaeus zouden dus mogelijk dienst hebben gedaan als gesp. Maar het kan natuurlijk ook dat de plant niet op deze manier werd gebruikt, maar dat men vond dat zijn stekels op een haak of een gesp leken en die gelijkenis aan de basis ligt van de naamgeving. Naast het officiële gaspeldoorn heeft de plant nog een resem namen. In de Flora Batava van Jan Kops heet hij Europische Hei-Brem. Heibrem is één van de vele regionale namen die de plant in Nederland heeft. Andere gebruikelijke en minder courante benamingen zijn bremerheidedoornbremdoornstruikdoorzichtige bremduindoornFranse bremgaspeldoorngemene doornstruikgenstginstginsterheethèkelsheibremkattendoornSpaansehanekammekenssteekbremstekende bremzeebies. In Vlaanderen heeft men het onder meer over brumdoornginstedoornstruikduiveldoornduivelsdoorngaspeldoornheidoornheksenhoutiedoornjudoornstekebremstekelbromstekelginstestekersvelddoornwiedoorn. Heel veel namen refereren aan de stekeligheid van de plant, aan de gelijkenis met brem (Cytisus scoparius (LinnaeusLink), of aan beide. Dat geldt ook voor het Duitse Stechginster. De wetenschappelijke geslachtsnaam ulex zou in feite een oude Latijnse benaming voor rozemarijn zijn; hij lijkt ook verband te houden met een wortel *ek- of *ak-, die “scherp” of “puntig” betekent en onder andere in het Latijnse acer te vinden is. Deze wortel vinden we ook terug in de Gaelische (Ierse) naam van de plant, aiteann, soms ook aitinn of atinne, en in het Welse eithin, die kunnen worden teruggevoerd tot een Keltisch *aktinos. Verwante woorden zijn het Litouws akstinas en het Oudslavisch ostinu, die allebei “doorn” betekenen. Volgens sommige taalkundigen is ook ote, de naam van de gaspeldoorn in het niet-Indo-Europese Baskisch, met *aktinos verwant. Een van de Engelse namen, furze, met varianten als fuzzvuzzfuzzen en vuzzen, gaat terug op een Oudengels fyrs, dat mogelijk verwant is aan fyrhfurh, modern Engels fir, “spar”. Een andere Engelse naam, gorse, komt van een Middelengels woord gorst, dat via Oudengels gorst is afgeleid van Proto-Germaans *gurstaz, “gerst”; verwant is ook het Latijn hordeum, “gerst”. Eveneens gerelateerd zou proto-Indo-Europees *gher- zijn, “borstelen”. Het heeft er dus veel van dat gaspeldoorn twee van zijn courante Engelse benamingen dankt aan zijn stekeligheid.


Gaspeldoorn.
Uit O.W. Thomé, Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz (1885).

 


De gaspeldoorn is inderdaad een stekelig geval. De takken eindigen in doorns, en bladeren heeft de plant niet. Of beter, hij heeft ze wel, maar ze zijn stijf en priemvormig en eindigen in een scherpe punt. Alleen de prille zaailingen hebben gewone blaadjes, die zijn bezaaid met lange afstaande haren. Ook jonge loten, bloemstelen, kelken en peulen zijn afstaand behaard. Welke factoren er precies voor hebben gezorgd dat de voorouders van gaspeldoorn evolueerden tot een plant met stekels in plaats van bladeren, weten we natuurlijk niet. In eerste instantie zou het om bescherming tegen vraat kunnen gaan: plantenetende dieren zijn niet geneigd om even gauw een sappig takje gaspeldoorn naar binnen te spelen. Het is ook verleidelijk een parallel te zien met doornplanten als cactussen en euphorbia’s. Bij deze planten zijn bladeren geëvolueerd tot doorns, die verdamping in de extreem hete condities van de woestijnen en halfwoestijnen tot een minimum herleiden. Ook in de habitats waarin gaspeldoorn groeit, zijn hitte, koude en droogte vaak extreem.  

De bloemen van Ulex staan aan de korte zijtakken, alleen of met enkele bij elkaar. Aan de basis van de bloem zitten twee kelkbladen. De kroonbladen van de bloem zijn tot 2 cm lang en geel van kleur, een kenmerk dat de struik deelt met de verschillende bremsoorten. Die gele kleur komt heel vaak voor bij bloemen, in het bijzonder bij voorjaarsbloeiers – denk aan narcissen, speenkruid, sleutelbloem, dotterbloem, klein hoefblad, stinkende gouwe, gele lis, forsythia, brem, winterjasmijn, mahonia en zoveel andere. Waarom dat zo is, kan uiteraard niet met volledige zekerheid worden beantwoord. Ik heb ergens gevonden dat het een evolutionaire strategie zou zijn om de zichtbaarheid voor insecten te optimaliseren in een seizoen waarin er nog maar weinig bloemen zijn. Geel zou immers de kleur zijn die het best van op grote afstand te zien is – dat zou meteen de reden zijn waarom de oprichter van de Yellow Cabs in Chicago in 1907 precies geel heeft gekozen als kleur voor zijn taxi’s. Waarbij we er natuurlijk rekening mee moeten houden dat insecten kleuren anders zien dan wij: bijen zien bijvoorbeeld geen rood maar wel ultraviolet. Geel is een kleur die ze goed kunnen waarnemen, en experimenten hebben aangetoond dat bijen een voorkeur hebben voor gele bloemen of voor bloemen die alleszins een geel hart hebben. Men heeft ook vastgesteld (bij een onderzoek in de VS) dat bij bepaalde bloemen die in een gele en een rode variëteit voorkomen, de rode vooral worden bezocht door kolibries en de gele door insecten. Het lijkt er dus op dat bloeiende planten er voordeel bij hebben om in het voorjaar, wanneer vooral hommels en bijen al actief zijn, met gele bloemen uit te pakken. En dat is wat gaspeldoorn doet, con brio zelfs. 


Gaspeldoorn.
Uit A. Masclef, Atlas des plantes de France (1890-1893).

 


De gele bloem is bilateraal symmetrisch gebouwd, wat typisch is voor de familie waartoe de plant behoort: de vlinderbloemigen (Leguminosae, ook Papilionaceae of Fabaceae genoemd), een kosmopolitische en zeer soortenrijke familie (ca. 16.000 soorten) die vooral in de tropen veel vertegenwoordigers heeft. Binnen die enorme groep behoort het genus Ulex, samen met nog 42 andere genera, tot de tribus Genisteae. In deze clade vinden we behalve onze gaspeldoorn en zijn onmiddellijke verwanten onder meer ook Lupinus (lupine), Laburnum (gouden regen), Spartium (een groep van mediterrane bremsoorten) en Cytisus (onze brem en zijn verwanten). De bloemkroon van een bremachtige bestaat uit een grote vlag, twee zwaarden en twee met elkaar vergroeide kielbladen. In de kiel zitten de meeldraden en de stamper, die als een veer opgespannen zijn. Hun spanning is naar boven gericht, terwijl de zwaarden en de kiel naar beneden willen veren. Als nu een bij of een hommel – gaspeldoorn wordt vooral bezocht door hommels – de bloem bezoekt, dringt ze zich in de bloemopening, op zoek naar nectar. Pech, want de bloemen produceren geen nectar. Door in de bloem binnen te dringen, drukt de bij of hommel de zwaarden en de kiel omlaag. De kielbladen laten van elkaar los en daardoor kunnen de meeldraden en de stamper naar boven veren. Daarbij wordt het stuifmeel als in een explosie vrijgegeven en tegen de onderkant van het insect gekatapulteerd. Ook de stamper is omhoog geveerd, zodat stuifmeel dat op de onderkant van de bij zit op de stempel kan komen. Op de stempel zitten er stempelpapillen, die zich openen doordat de bij ertegenaan wrijft. Daarbij komt een soort olie vrij die de stuifmeelkorrels aan de stempel doet kleven. Hierdoor kan een stuifmeelkorrel makkelijker in de kiembuis van de stempel binnendringen, zodat de bloem zichzelf bestuift. Als de bezoekende bij de bloem verlaat, neemt ze bovendien stuifmeel mee naar andere bloemen, wat kruisbestuiving tot gevolg heeft. Ik zei al dat de bloemen geen nectar hebben, maar de bijen kunnen uiteraard wel stuifmeel verzamelen. Dat stuifmeel is een belangrijk voedsel voor de bijen en komt tevens in de honing terecht.   

Anders dan bij brem, zijn bij Ulex de peulen die na de bloei verschijnen, maar zo lang als de kelkbladen van de bloem. Die peulen zijn bruin tot zwart en begroeid met witte haren. Ze bevatten kleine zaden met een zeer harde, zwarte schil, die in het rond worden gekatapulteerd als de peul rijp is en openbarst. De bloeitijd loopt van maart tot juni, maar je kan ook al in december bloeiende gaspeldoorns vinden. Vooral in de Britse literatuur vind je heel vaak meldingen van gaspeldoorns die in de zomer en de herfst bloemen dragen. In volkse uitdrukkingen wordt de bloei van de plant dan een metafoor voor het liefdesspel: allebei zijn ze tijdloos en niet aan één seizoen gebonden (“For kissing there’s room when the gorse is in bloom”). Hoogst waarschijnlijk gaat het hier niet om Ulex europaeus maar om een verwante soort, Ulex gallii, die steevast van juli tot november bloeit en in het westen van de Britse Eilanden veel voorkomt. Heel vaak zijn de populaties gorse op de heidevlakten in Groot-Brittannië en Ierland gemengd, met europaeus en gallii door mekaar groeiend en bloeiend. Zo lijkt het dat de gaspeldoorn inderdaad het hele jaar door bloeit, maar in feite gaat het om twee verschillende soorten.  



Gewone brem (Cytisus scoparius)


Gaspeldoorn, stekels.


Gaspeldoorn, peulen.


Gaspeldoorn, zaden.




Gaspeldoorn, zaailing met bladeren.



Ulex telt een twintigtal soorten (volgens sommigen slechts dertien) in Europa, verspreid van Noord-West-Afrika over het Iberisch Schiereiland tot Denemarken. Ulex europaeus Linnaeus, de typesoort, komt voor van Portugal en Spanje, over Frankrijk, België en Nederland tot Zuid-West-Scandinavië, en is ook heel algemeen op de Britse Eilanden. Op die laatste komt dus ook Ulex gallii Planchon voor en voorts Ulex minor Roth (syn. Ulex nanus T.F. Forster & Symons); beide soorten zijn verder te vinden in de Atlantische delen van Frankrijk en Spanje. Op het Iberisch Schiereiland treffen we voorts een serie endemische soorten aan die vaak een zeer regionale verspreiding hebben:

-       Ulex argenteus Welw. ex Webb in de Algarve en het aangrenzende deel van Spanje, 

-       Ulex australis Clemente in westelijk Andalucia en zuidelijk en centraal Portugal, 

-       Ulex boivinii Webb in Zuid-West-Spanje, zuidelijk Portugal en Marokko,

-       Ulex borgiae Rivas Mart. In Andalucia (rond Gibraltar) en Marokko (rond Tanger en Tetouan)

-       Ulex canescens Lange in Almeria

-       Ulex cantabricus Alv. Mart., Fern. Casado, Fern. Prieto, Nava & Vera in de Cordillera Cantabrica, Asturias, Castilla y Leon

-       Ulex densus Webb in Portugal rond Lissabon en Leiria

-       Ulex eriocladus C. Vicioso in het zuidwesten van het Iberisch Schiereiland

-       Ulex genistoides Brot.

-       Ulex micranthus Lange in zuidelijk Galicië en Noord-Portugal

-       Ulex parviflorus Pourret in Zuid-Frankrijk, het Iberisch Schiereiland en Noord-Afrika

Volgens sommige auteurs is er niet één genus Ulex, maar zijn er drie nauw verwante genera. Over de geldigheid van bepaalde soorten zijn de meningen verdeeld: is Ulex cantabricus bijvoorbeeld een heus taxon, of is het identiek met Ulex gallii? Van een aantal soorten is de taxonomische positie wat onzeker: Ulex boivinii werd bijvoorbeeld afwisselend bij de genera StauracanthusNepa en Leonhardia ondergebracht, Ulex genistoides bij StauracanthusUlex europaeus wordt ook gevonden in Italië, maar daar gaat het hoogstwaarschijnlijk om adventiefplanten. 

 

Ulex europaeus is van oorsprong een strikt Atlantische, West-Europese soort, die mogelijk ooit slechts inheems was van het Iberisch schiereiland tot België en Groot-Brittannië. Overal elders in Europa waar de plant wordt aangetroffen, is hij waarschijnlijk door menselijk toedoen terechtgekomen. Buiten Europa is hij trouwens ook verwilderd in onder andere de Verenigde Staten, Canada, Brazilië, Nieuw-Zeeland, Australië, Hawaii. Hij behoort tot de top honderd van de invasieve soorten planten en dieren, samen met de huiskat, de reuzenpad en de reuzenberenklauw. 


Peulen en zaden van Leguminosae.
Uit J. Gaertner, Fructibus et seminus plantarum (1791)

 


Gaspeldoorn is vorstgevoelig, wat onder meer blijkt uit de omstandigheid dat een gaspeldoornstruik in vrieswinters vaak bovengronds afsterft, maar zodra het warmer wordt vlot weer uitloopt. Waar ze buiten dit Zuid-Atlantische areaal voorkomt, is de oorspronkelijke wildheid onzeker. In de 19de eeuw twijfelden nogal wat Belgische botanici eraan of de plant in België van nature voorkomt; ze stelden dat zijn aanwezigheid hier eerder het gevolg is van menselijk toedoen. Hij is in ieder geval zeldzaam in België. Vooral in Wallonië wordt hij nauwelijks gevonden, en waar hij toch groeit, is de kans groot dat hij er ooit werd geïntroduceerd. Vlaanderen heeft enkele lokale populaties rond Brugge, Gent en in de Kempen. In Nederland is gaspeldoorn vooral te vinden aan de zuidelijke Veluwezoom en in Brabant, meestal op enigszins gestoorde grond. “Gaspeldoorn,” lees ik in de Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest, “is een vorstgevoelige soort van zwak zure, voedselarme, zandige bodems. Samen met gewone brem groeit ze in extensief begraasde of slechts nu en dan gemaaide, schrale graslanden met opslag van struiken. In het moderne Vlaamse landschap kunnen dat ook nieuwe bermen en taluds zijn, ontstaan bij ingrijpende infrastructuurwerken. Daarnaast wordt de soort aangetroffen op kapvlakten, in verlaten zandwinningen, langs holle wegen, in ontkalkte duinen, op heidevelden enz. Gaspeldoorn vestigt zich gemakkelijk op nieuw ontstane terreinen, bijvoorbeeld op percelen waar de humeuze toplaag is afgegraven. Daarbij is het niet altijd duidelijk of de kiemplanten vanuit de zaadbank dan wel uit aangevoerde zaden zijn opgeschoten.” Door aanleg van wegen en zachte winters heeft de soort zich de jongste decennia enigszins kunnen uitbreiden. Ook op de Britse Eilanden is de huidige verspreiding van de drie soorten gorse die daar voorkomen volgens sommige auteurs het resultaat van menselijke bemoeienis. Ulex gallii en Ulex minor zouden in Ierland en het westen van Groot-Brittannië de autochtone soorten zijn, terwijl Ulex europaeus, die er vandaag eveneens zeer algemeen voorkomt, oorspronkelijk alleen in het oosten hebben gegroeid maar door de mens zijn verspreid over het hele gebied van de eilanden. 

 

Die verspreiding gebeurde vooral doordat de tot drie meter hoge struik Ulex europaeus vaak werd gebruikt om er hagen mee aan te leggen die het vee op, en roofdieren uit, de weide moesten houden, prikkeldraad avant la lettre dus. Nu is de geschiktheid van gaspeldoorn als haagplant niet ideaal. Positief is, dat de struik ondoordringbaar is en bijzonder snel groeit, minpunten zijn de gevoeligheid voor vorst en de geringe levensduur – na een jaar of twintig houdt een gaspeldoorn het gewoonlijk voor bekeken. Vooral in vergelijking met de meidoorn is dat laatste een fameus gebrek: die groeit weliswaar trager, maar wordt gemakkelijk 150 jaar oud en er zijn er heel wat gekend die minstens al een half millennium op hun teller hebben. Dat neemt niet weg, dat in sommige talen “haag” en “gaspeldoorn” als het ware synoniemen zijn. Het Franse ajonc, “gaspeldoorn”, zou van een regionaal woord uit de Berry agon komen, een verkleinwoord afgeleid van het Oudfranse ajou. Dat komt op zijn beurt van een Noordoccitaans ajo, “haag” dat teruggaat op Oudnederfrankisch *haga. Verwant zijn Nederlands haag, Duits Hage, Engels hedge en ook haw, “meidoorn”.  Onder invloed van het woord jonc zou ajonc zijn gevormd. Aan de oorsprong van agon ligt mogelijk een *ajaugone, van *ajauga, verwant met vormen die het Spaanse gayuba hebben gegeven, het woord voor de berendruif (Arctostaphylos uva-ursi (LinnaeusSpreng). Anderen leiden het woord af van *jauga, dat zou zijn geëvolueerd tot *jou, waarbij la jou op zeker moment werd begrepen als l’ajou, dat dan onder invloed van jonc tot ajonc voerde. 


Gaspeldoorn.
Uit J.H. Jaume Saint-Hilaire, Traité des arbrisseaux et des arbustes cultivés en France (1825). 

 


Is Ulex europaeus een struik, soms zelfs met de allures van een kleine boom, Ulex gallii en een aantal Iberische vormen zijn eerder heesters. Ulex minor is een bodembedekker, “a lowly plant that has recumbent stems which cover the ground where it grows as with a barbed wire entanglement. Though the stems may be as much as three feet in length they seldom rise more than a few inches above the ground, and persons properly attired for walking – as we are – in knickerbockers, get severely punished for walking through it. The spines are not so rigid as in the Common Furze, but that grows as a bush which we can avoid. The Dwarf Furze covers the ground completely, and cannot be avoided if you must walk over the area it has marked out for its own. Every step you take means a vicious stab of a stiletto into your ankles, and though for a time you may determine to brave it out, it is possible that you will soon make up your mind that your business really lies on that other part of the heath where all is rosy rather than golden.” (Edward Step: Wild Flowers Month by Month in their Natural Haunts)   

 

Ongetwijfeld kende men in de antieke wereld de gaspeldoorn, zij het Ulex europaeus of een andere van de talrijke voornamelijk Iberische soorten. Maar zeker weten we het niet. Plinius beschrijft in boek XXXIII van zijn Naturalis historia hoe in Spanje ulex wordt gebruikt tijdens het proces van goudwinning. H. Rackham vertaalt in zijn Loeb-editie van Plinius deze naam als “gorse”, maar Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis en Tom Peters geven in het Nederlands in De wereld, hun vertaling van (delen van) Plinius’ encyclopedische werk, “heide… een struik die op rozemarijn lijkt”. Dat laatste ligt min of meer in de lijn van wat je vandaag in sommige woordenboeken vindt, namelijk dat we niet weten welke plant Plinius bedoelt maar dat het mogelijk een soort rozemarijn was. Voor de rest zoek je de plant vergeefs in oude kruidenboeken en compendia van planten, waarschijnlijk omdat hij in de antieke en middeleeuwse kruidengeneeskunde nooit een rol van belang heeft gespeeld. Soms wordt Ulex in verband gebracht met de nepa van Theophrastos – maar misschien was dat wel een soort tijm. Dioskorides vermeldt geen gaspeldoorn en ook bij Hildegarde von Bingen ontbreekt hij. 


Gaspeldoorn.
Uit J. Bourdichon, Les grandes heures d'Anne de Bretagne (1503-1508)

 


Rembert Dodoens neemt in de eerste editie van het Cruydeboeck de gaspeldoorn niet op. De tweede editie vermeldt de plant wel, en noemt hem in een adem met de stekelbrem: “Stekende Brem heeft vele dunne houten roeykens of rijskens, die ierst ende als sy noch ionck sijn, vol van cleynen fruenen bladerkens sijn tusschen den welcken cleyne dorekens wassen, die teere en weeck sijn ende niet seer en steken. Maer als deze rijskens verouderen ende oueriarich worden, dan so worden sy naeckt ende sonder bladeren meest geuonden, ende dan worden die dorenen hert ende steken seer. Tusschen die cleyne bladerkens wassen die bloemen die bleeckgeel sijn van fatsoene den Brem bloemen ghelijck maer mindere, ende daer naer volgen cleyne hauwkens daer ront roodachtich saet in leyt. Die wortel es lanck ende taeye. Van den gheslachte van den stekende Brem schijnt oock wel te syne die Gaspeldoren. Dat een rouw seer scerp tekende gewas es, voortsbrenghende rechte houtachtighe struycxkens, sonder bladeren al omme met lange, scerpe, herde seer stekende dorenen seer dick beset. Tusschen die welcke geel bloemekens voortcomen, ende daer naer hauwkens, den bloemen ende hauwen van Brem van fatsoene ghelijck. Die wortelen sijn lanck, dweers in der eerden wassende, ende schier alsoo taeye als die wortelen van Prangwortele.”

Ook de Franse versie van het Cruydeboeck, verzorgd door Charles de l’Escluse (Clusius), beschrijft de gaspeldoorn als een vorm van de geneste espineux: “La plante que les Brabansons appellent Gaspeldoren semble bien vne espece de Geneste espineux, laquelle est fort rude & fort espineuse, produisant de verges droictes, ligneuses, sans feuilles, garnies par tout de longues espines aigues dures & fort poignantes, entre lesquelles y vient de fleurettes iaulnes & puis apres des siliques, semblables en figure aux fleurs & siliques du Geneste. Les racines sont longues, croissans de trauers en la terre, & bien pres aussi flechiles & ployables que la racine de l’Arreste beuf.”


Gaspeldoren.
Uit Rembert Dodoens, Cruydeboeck.

 

Andere ghedaente van Gaspeldoren en Stekende Brem.
Uit Rembert Dodoens, Cruydeboeck


John Gerard onderscheidt in zijn The Herball or Generall Historie of Plantes, in feite grotendeels een Engelse vertaling van het Cruydeboeck van Dodoens en de bewerking daarvan door Clusius, meerdere vormen van stekelige brem: “There be diuers sorts of prickly Broome, called in our English tongue by sundry names, according to the speech of the country people where they doe grow: in some places, Furzes; in others, Whins, Gorsse, and of some, Prickley Broome.” Hij noemt niet minder dan zes vormen. Eerst en vooral is er de Great Furze bush of Genista spinosa vulgaris, “a plant altogether a Thorne, fully armed with most sharpe prickles, without any leaues at all except in the spring, and those very few and little, and quickly falling away: it is a bushy shrub, often rising vp with many wooddy branches to the height of foure or fiue cubits, or higher, according to the nature and soile where they grow…” Een tweede vorm is de small Furze bush of Genista spinosa minor, “another kinde of Furze which bringeth forth certaine branches that be some cubit high, stiffe, and set round about at the first with small winged Lentill-like leaues and little harmlesse prickles, which after they haue been a yeare old, and the leaues gon, be armed onely with most hard sharpe prickles, crooking of bending their points downwards. The floures hereof are of a pale yellow colour, lesser than those of Broome, yet of the same forme: the cods are small, in which do lie little round reddish seeds: the root is tough and wooddy.” Als derde noemt Gerard een Small round codded FurzeGenista Spinosa minor siliqua rotunda, die “seldome exceeds a foot in height, and it is on euerie side armed with sharpe prickles, which grow not confusedly, as in the common sort, but keepe a certaine order, and still grow forth by couples: they are of a lighter greene than those of the common Furze: on the tops of each of the branches grow two or three yellow floures like those of the former; which are succeeded by little round rough hairy cods of the bignesse of Tares.” Deze vorm, weet Gerard, bloeit in maart en is te vinden tussen Bordeaux en Bayonne en in de Pyreneeën. De Needle Furzepetty Whin of Genistella aculeata, nog een “small kinde of Furze” groeit op “Hampstead heath neere London, and in diuers other barren grounds, where in manner nothing else wil grow”; de plant “hath many weake and flexible branches of a wooddy substance: whereon do grow little leaues like those of Tyme: among which are set in number infinite most sharpe prickles, hurting like needles, whereof it tooke his name. The floures grow on the tops of the branches like those of Broome, and of a pale yellow colour. The root is tough and wooddy.” 


De twee resterende furzes uit Gerards Herball horen hier in feite niet thuis, denk ik. De Dwarfe or low FurzeGenistaspinosa humilis, “some span high, diuided into many branches, some spred vpon the ground, others standing vpright, hauing plentifull store of greene prickles” is duidelijk geen Ulex-soort. De bloemen, “in shape (…) like those of Broome, but lesse, and of a blewish purple clour, standing in rough hairy whitish cups” wijzen eerder op een vertegenwoordiger van het genus Ononis (stalkruid), misschien Ononis repens Linnaeus of Ononis campestris Koch, planten die we bij Dodoens beschreven vinden als prangwortel. Als laatste beschrijft Gerard de Genista aculeata minor, die volgens hem identiek is met de Scorpius of de Nepa van antieke auteurs als Theophrastos. Om welke botanische soort het hier gaat is, zoals ik al zei, verre van duidelijk: misschien wel een soort tijm (Thymus), of mogelijk alsem (Artemisia). 


Gaspeldoorn.
Uit J. Kops, Flora Batava (1807). 

 


Maar ook de identificatie van de eerste vier vormen die Gerard beschrijft, is verre van eenvoudig. De eerste, de Great Furze, is vrijwel zeker Ulex europaeus, mogelijk op één hoop gegooid met Ulex gallii. Ook de Genista spinosa minor siliqua rotunda lijkt me een Ulex te zijn, al slaag ik er niet in, als ik Gerards beschrijving en afbeelding van de soort naast determinatiesleutels en illustraties in moderne flora’s leg, om te beslissen welke dan wel. Genista spinosa minor heeft niet alleen stekels maar ook bladeren, en is bijgevolg geen Ulex; misschien gaat het wel om het taxon dat wij vandaag stekelbrem noemen (Genista anglica Linnaeus) - al ga ik daar mijn hand niet voor in het vuur steken. De Needle furze or petty Whin is me een raadsel. De beschrijving wijst niet in de richting van een gaspeldoornsoort en de afbeelding doet dat nog veel minder: als je je enkel op die laatste zou baseren, denk je al gauw met rozemarijn of een verwant te maken te hebben. 

 

***

 

Ik zei al dat de gaspeldoorn doorheen de eeuwen nauwelijks een rol van betekenis lijkt te hebben gespeeld in de kruidengeneeskunde. Bij Hippokrates, Dioskorides, Theophrastos, Plinius, Galenos, Hildegard von Bingen of Albertus Magnus blijf je op je honger wat gaspeldoorn betreft. Ook bij Dodoens en Clusius, die wel de moeite nemen de plant te beschrijven, ontbreekt een uiteenzetting over zijn fytotherapeutische eigenschappen, en zelfs al put Gerard zich uit diverse verschijningsvormen te beschrijven van wat hij als gaspeldoorns beschouwt, over de medische toepassingen ervan is hij wel heel beknopt: “the seeds are vsed in medicines against the stone, and staying of the laske.” Waarbij we onder “stone” nier- en blaasstenen moeten begrijpen terwijl “staying of the laske” constipatie betekent. In De Historia Naturalis, Marcel de Cleenes magistrale geschiedenis-cum-anthologie van de kruidengeneeskunde, beschrijft de auteur meer dan honderd planten en bloemleest hij uitvoerig wat herboristen en botanici, van de Griekse oudheid tot de 20ste eeuw, ons erover meedelen. Ulex europaeus komt in het vuistdikke boek echter niet voor. Ik heb geen systematisch en grondig onderzoek gedaan naar de aan- of afwezigheid van gaspeldoorn in de fytotherapeutische literatuur, maar een snelle blik in wat ikzelf in de kast heb staan, leert mij alvast dat de plant daarin niet of nauwelijks wordt vermeld. In mijn oude Herba Encyclopedie staat hij, zoals ik al zei, niet. In Elseviers gids van eetbare en geneeskrachtige planten (Launert): niets. Kruiden (Bremness): noppes. Encyclopedie van geneeskrachtige planten (Cecchini): nada. Medicinal Plants and their History (Grey Wheelwright): zero. Desk Reference to Nature’s Medicine (Foster & Johnson): nul. Kroniek der geneeskruiden (Le Strange): nougat. Piante officinali italiane (Lodi): niks. Atrium Kruidenencyclopedie (Bown): idem. Encyclopedia of Folk Medicine (Hatfield): een paar keer en passant vermeld, maar geen eigen lemma.


Gaspeldoorn.
Uit F.L. Krebs, Vollständige Beschreibung und Abbildung der sämmtlichen Holzarten (1826).

 


Mrs. M. Grieve wijdt in A Modern Herbal wél een lemma aan de gaspeldoorn. Maar ook zij heeft niet zo heel veel te vertellen. “The plant has never played an important part in herbal medicine”, schrijft ze voorzichtig, waarop ze Gerard citeert en John Parkinson, volgens wie de bloemen van gaspeldoorn werden gebruikt om geelzucht te behandelen en kinderen een infuus van de bloesem toegediend krijgen tegen roodvonk. Volgens oude auteurs, die Grieve niet specifieert, zou gaspeldoorn gekookt met honing een goede mondspoeling zijn en een probate remedie tegen slangenbeten. Afkooksel van de zaden van de plant zou een effectief insecticide zijn, dat, als het binnenshuis wordt gesprenkeld of verstoven, vlooien weghoudt. Over de reële werkzaamheid van deze toepassingen heb ik nergens wat kunnen terugvinden. Ongetwijfeld zit er een dosis pseudowetenschap bij deze medicinale gebruiken. Wat de werking tegen geelzucht betreft, kunnen we bijvoorbeeld aannemen dat het hier een voorbeeld van de oude signatuurleer betreft. De signatuurleer stelt dat er een direct verband is tussen de uiterlijke kenmerken van een plant of dier en de menselijke organen waarop delen van de plant of het dier een genezend effect hebben. Zo is ajuin goed voor aandoeningen van de luchtpijp, want de plant heeft een holle, buisvormige steel. Speenkruid helpt tegen speen, want het plantje heeft wortelknobbeltjes die op speenknobbels lijken. Sint-Janskruid helpt tegen aandoeningen van de urinewegen, omdat de bloemen geel van kleur zijn, net als pis. Daarom is gaspeldoorn geschikt tegen geelzucht, want de bloemen zijn geel. 

 

In de volksgeneeskunde van de Britse Eilanden speelde en speelt gaspeldoorn echter een rol die enigszins lijkt los te staan van oude pseudowetenschappelijke theorieën en hier en daar misschien wel op proefondervindelijke vaststellingen steunt. Vooral in Ierland werd en wordt de plant tegen tal van aandoeningen gebruikt. “Apart from a veterinary use in the Isle of Man, the records come from Ireland without exception. The principal application there has been for coughs, colds, sore throats and hoarseness (Down, Londonderry, Donegal, Wicklow, Waterford), including consumption (Limerick). In Londonderry, Wicklow and Kilkenny it has also featured as a tonic, especially for cleansing or ‘increasing’ the blood, while in parts of Ulster and in Wicklow en Wexford it has been favoured for heartburn and hiccups. In Cavan and Limerick decoctions of the flowers or ‘tops’ have been given for jaundice and in Cavan for heart trouble, while in parts of Ulster it has been applied to ringworm and dermatitis and in Meath (with daisy roots) for a whitlow of a swelling. Widely employed for ridding livestock of worms, that use has also been extended to children in Antrim and Sligo.” (David Allen & Gabrielle Hatfield: Medicinal Plants in Folk Tradition


Gaspeldoorn.
Uit A. Fiori & G. Paoletti, Iconographia florae Italiae (1885)


A.T Lucas specifieert in Furze. A Survey and History of Its Uses in Ireland, zowat de meest uitgebreide monografie die over gaspeldoorn werd geschreven, hoe de plant precies werd gebruikt tegen verschillende kwalen. Om de hik te verdrijven, kauwde men op de groene toppen van de twijgen van Ulex minor; het sap werd ingeslikt. Als remedie tegen maagzuur en reflux werden de toppen van jonge gaspeldoorn gekauwd of werd de schors gezogen. Een hoestmiddel werd in Drumcannon, county Waterford, als volgt gemaakt: in een pot werden bloemen dicht opeengeperst, met een laag bruine suiker eroverheen; de pot werd in een pan met water gezet dat aan het koken werd gebracht, zodat de bloemen en de suiker konden sudderen. Aangelengd met water werd de kleverige brij dan een hoestsiroop. In Sligo kregen kinderen ’s ochtends nuchter een mok warme melk waarin gaspeldoornbloemen waren gekookt als ontwormingsmiddel. In Derry werden de bloemen gekauwd en ingeslikt tegen een schorre keel. Een versterkende tonic maakte men, ook in Derry, van bloemen die urenlang werden gekookt; het kooksel werd gefilterd en gebotteld. Om zwellingen te doen slinken, kookte men jonge scheuten van de plant; met het afkooksel werd de zwelling ingewreven. Sommige remedies die Lucas vermeldt, bevinden zich meer in de sfeer van de magie dan van de volkse geneeskunde. Zo werd in Seskinan, Waterford, de huidinfectie wondroos (erysipelas), in de streek wildfire genoemd, behandeld door drie kleine stukjes brandende gaspeldoorn op de aangetaste plek te leggen (een ander middel tegen wondroos was bloed van een zwarte kat, maar daar ga ik het hier niet over hebben). Ringworm werd dan weer te lijf gegaan met een verkoold takje van de plant dat in de vorm van een kruis over de zieke huid werd bewogen. 

Nog zo’n magische toepassing was het dragen van een takje gaspeldoorn, vastgespeld op de kleding, tegen het stotteren. Het doet me denken aan de galnoot (wilde kastanje) die mijn grootvader steevast in de zak had zitten van zijn kieltje als afweermiddel tegen het flissijn

Terug meer in de sfeer van de echte volksgeneeskunde, werden volgens Hatfield in Yorkshire de bloemen van gaspeldoorn, gemengd met spekvet, gebruikt als zalf tegen winterhanden.


Gaspeldoorn.
Uit J.S. Kerner, Abbildungen aller ökonomischen Pflanzen (1791).

 


In hoeverre de effectiviteit van al deze toepassingen proefondervindelijk werd getoetst, heb ik nergens kunnen naspeuren. Wel heeft analyse van gaspeldoorn aan het licht gebracht dat de plant bepaalde stoffen bevat die mogelijk een medicinale werking hebben. A.W. Gerrard vond in 1886 een alkaloïde in de zaden, gelijkend op het sparteïne dat in Cytisus scopariuszit, maar krachtiger. Gerrard doopte de stof ulexine. In 1890 ontdekte de Duitser Kobert dat ulexine identiek is met het eveneens in brem gevonden cytisine. Cytisine (C11H14N2O), ook 1R,5S-1,2,3,4,5,6-hexahydro-,1,5-methano-8H-pyrido[1,2a][1,5]diazocin-8-ol, baptotoxine, cytiton, laburnine of sophorine, is een toxisch alkaloïde, typisch voor planten uit de familie Leguminosae, dat in alle delen van planten als brem, gaspeldoorn en gouden regen zit en in hogere concentraties gevaarlijk is. Cytisine stimuleert het centrale zenuwstelsel en kan bij inname opwinding, verwarring, hallucinaties en delirium genereren. Bepaalde bremsoorten, zoals de mediterrane Cytisus junceum Linnaeus, bevatten hoge concentraties cytisine en induceren bij gebruik psychoactieve reacties. Michael Wink vermeldt het geval van een kunstenaar die afkooksel van bloemen van Cytisus junceum dronk als hartversterkend middel. Deze drank veroorzaakte intense droomactiviteit met veel kleurige beelden. Een vrouw die een infuus dronk van zaden en scheuten kreeg braakneigingen, vervormingen van haar visuele waarneming en een gevoel van dronkenschap (Michael Wink in Hagers Handbuch der pharmazeutischen Praxis, geciteerd in Christian Rätsch, The Encyclopedia of Psychoactive Plants). In Zuid-Amerika, waar Cytisus junceum is verwilderd, wordt de plant retama genoemd en gebruikt als vruchtafdrijvend middel en als voorbehoedsmiddel. De bloemen worden gerookt als middel tegen astma. In Peru behandelt men er reuma mee. Hoewel ook gaspeldoorn cytisine bevat, lijkt de plant nergens te zijn gebruikt om zijn eventuele psychoactieve eigenschappen. Omdat cytisine op hetzelfde hersengebied inwerkt als nicotine, meer bepaald op de acetylcholinereceptoren, zou het kunnen helpen om rokers van hun verslaving af te helpen. Maar er is meer. Een beetje surfen op het internet leverde een aantal artikels op over de farmacologische mogelijkheden van in gaspeldoorn aanwezige moleculen. Vermits ik niet medisch of farmacologisch geschoold ben, gaat een groot deel van deze teksten mijn pet te boven. Wat ik wel begreep, is dat in Ulex europaeus aanwezige stoffen mogelijkheden lijken te bieden voor toepassingen op het vlak van de behandeling van borstcarcinomen en van maagzweren. Ook kon antivirale werking worden vastgesteld. De hedendaagse populariteit van gaspeldoorn in de medische sector is echter zowat nul: “it is not used at all-in modern-day medical herbalism,” schrijft Gabrielle Hatfield.

 

Gaspeldoorn.
Uit C.S. Cooper & W.P. Westell, Trees and Shrubs of the British Isles (1909). 


De bewering die je hier en daar leest dat gaspeldoorn giftig is, lijkt in ieder geval te kloppen. Maar hoe giftig is giftig? Marcel de Cleene rubriceert Ulex in zijn Giftige plantengids bij de verdachte planten, “planten die van giftigheid worden verdacht of die giftig bleken te zijn, maar waarover weinig gegevens beschikbaar zijn.” Alle delen van de plant zijn verdacht, specifieert de auteur, maar vooral de peulen met zaden. Hij vergelijkt gaspeldoorn met de gewone brem, die eveneens zwak giftig is. Vooral schapen vertonen wel eens vergiftingsverschijnselen na het eten van grote hoeveelheden brem. Bij de mens is de kans op vergiftiging waarschijnlijk gering: de lethale dosis is niet gekend. Ik las ergens dat 50 mg cytisine de ademhaling zou verlammen, wat mij redelijk lethaal lijkt, maar het is me niet duidelijk hoeveel gaspeldoorn je achterover moet slaan om aan die 50 mg te komen. Op sommige dieren lijkt cytisine geen effect te hebben. Hazen en konijnen zijn tuk op bremtwijgen, zonder er ooit last van te ondervinden. Gaspeldoorn wordt in ieder geval in sommige gebieden als veevoeder gebruikt: in delen van Frankrijk, in Engeland en vooral in Ierland; uit dit laatste zijn al meldingen van het gebruik van furze als voer uit de late 17de eeuw gekend, al is het pas in het begin van de 19de eeuw dat de bronnen talrijk worden. 

Gaspeldoorn is geen evident voer voor dieren. Uiteraard kan je je veestapel de stekelige takken niet zomaar voorzetten: eerst moeten de doornen eraf. En voor je de stekels eraf kan halen, moet de gaspeldoorn eerst worden geoogst, een onderneming die ook ietwat precair is. Voor het oogsten gebruikte men een zeis met een lange steel, maar ook wel een korte sikkel die aan het handvat een leren want had ter bescherming van de hand tegen de stekels. Ook de andere hand, die waarmee de takken van de plant werden gegrepen, werd in een leren want gehuld. Er waren ook heel primitieve wanten in omloop, gevlochten uit touw. De geoogste gaspeldoorn werd op verschillende manieren behandeld om de stekels onschadelijk te maken, de ene al gesofisticeerder dan de andere. Zowat de meest primitieve was die waarbij de takken op een steen of een houten blok werden gelegd en dan met een andere steen, een blok of een hamer werden beklopt om de doorns te breken. De gekneusde, van zijn stekels ontdane gaspeldoorn, werd dan in een trog verzameld en met een hakmes aan een steel in kleinere stukken gehakt. Meer gesofistikeerd was het gebruik van een cidermolen om de gaspeldoorn te kneuzen. Voor het snijden gebruikte men soms ook een kafsnijder, waarbij men draaiend aan een wiel een mes in beweging bracht dat de gaspeldoorn fijnsneed. Vooral paarden kregen gaspeldoorn als wintervoer, maar hier en daar werd het ook aan koeien gegeven. Voor menselijke consumptie kwam gaspeldoorn blijkbaar niet in aanmerking: ik heb er in de literatuur in ieder geval niets over teruggevonden. Maar van de bloemen kan je wel wijn maken, las ik bij Grigson in The Englisman’s Flora. Even zoeken op het internet leverde al meteen enkele recepten op. Hier is er een, afkomstig van de Neantóg Farm in het Ierse Cliffony:

 

“Ingredients

2 litres (3.5 pints) gorse flowers

1 kg (2.2lb) sugar

2 lemons (preferably unwaxed and organic)

2 oranges (preferably organic)

4 ½ litres (1 gallon) filtered water

Champagne yeast or any white wine General purpose yeast (see note)

 

Method

Pick fresh fully opened flowers. It is easiest to pick with your fingers, ideally on a calm and sunny day.

To start the yeast follow the instructions on the sachet.

Simmer the flowers in the water for 15 minutes then dissolve the sugar.

Cool slightly before you pour in a bucket and add the thinly peeled rind and the juice of the lemons and oranges. Allow to cool to a lukewarm temperature (about 35-37C) add the yeast, mix well and cover with a cloth.

After 3-4 days (give it a stir everyday), strain off the solids using a fine sieve and pour into a demi-john, fit an airlock and allow it to ferment at least for five months. Rack off into a fresh demi-john making it up to the full amount with boiled, but cooled down water. Leave for another month and then filter or alternatively leave until completely clear.

Then bottle in sterilized bottles.

If you find the wine to dry at bottling stage you can add more sugar.

It can take up to nine months to mature this wine.

 

Note We use if possible Lalvin Champagne Yeast EC-1118 -5g.  This yeast is GMO and gluten-free.”

 

Voilà. Ik heb nog andere recepten gevonden, waar er bijvoorbeeld nog een halve kilo fijngehakte rozijnen worden toegevoegd. De wijn die daaruit resulteert, ziet me er net iets te mierenzoet uit voor mijn smaak. Bovenstaand recept lijkt me daarentegen best te doen. Niet dat ik ga proberen zelf gorse wine te maken: ik denk niet dat de paar struiken die ik in Brasschaat aantrof voldoende bloemen zullen kunnen leveren. 


Gaspeldoorn.
Uit W. Baxter,  British Phaenogamous Botany (1834-1843).

 


A.T. Lucas heeft het in zijn boek nergens over gaspeldoornwijn, maar geeft nog een resem toepassingen van de plant. Behalve als veevoeder, werd gaspeldoorn in Ierland ook gebruikt als brandstof, in het bijzonder voor bakkersovens, maar ook voor kalkovens en voor huisverwarming. Meestal beschikt men voor het gebruik van de plant slechts over betrouwbare bronnen vanaf het begin van de 19de eeuw, maar voor gaspeldoorn als brandstof is er veel oudere informatie. In de Dublin Assembly Roll lezen we voor 1568: “ It is agreed that no bakers nor outhers shall buye any fyrris, fagots, ne other fuell but for his own occupacion, and yf any do regrate the same soo by hym bought, that he shall forfete for every tyme soo offending xx.s., to be paid to the use of the treasorie and presenter equally, provyded that this lawe doo not extende to hostlers ne winteners, but that they may take money for such fagots as they shall burn within their howses and tawernes.” Dit is de oudste vermelding, maar Lucas sluit niet uit dat het gebruik van gaspeldoorn als brandstof veel verder teruggaat, zeker tot het begin van de 14de eeuw en misschien zelfs tot de Vikingtijd. 

Nog een toepassing van gaspeldoorn in het rurale Ierland was als bodembedekking voor stallen. Op de vloer van een stal werd, onder het stro, een dikke laag gaspeldoorn aangebracht. Als de stallen werden ververst, had dit strooisel nog een functie als stalmest. Maar ook zonder de tussenstap van de stal diende de plant als meststof. Gaspeldoorn werd gemaaid en in de wintermaanden op de grond uitgespreid. Dieren liepen erover, karren reden erover en de haksellaag raakte vermengd met mest. Na een tijd werd de bodembedekking, een soort mulchlaag in feite, van erf en akker weggehaald en aan de mesthoop toegevoegd; op de bodem werd dan een verse laag haksel uitgespreid. Met het oog op de veelvuldige toepassingen, werd gaspeldoorn niet alleen in het wild geoogst maar ook op grote schaal aangeplant. Ook dat was een vorm van bemesting, want als vlinderbloemige leeft de gaspeldoorn in symbiose met bacteriën die op zijn wortels zitten en stikstof aan de lucht onttrekken om ze aan de bodem toe te voegen. Net als het inzaaien van klaver of lupine, is het planten van gaspeldoorn een vorm van groenbemesting.

Een heel belangrijk gebruik van gaspeldoorn, mogelijk wel het oudste, was de aanplanting als omheining, zowel rond woningen als rond de weiden. Behalve hagen van levende gaspeldoorn, werden ook gaspeldoorntakken gesneden en gevlochten, waar dan soms andere haagplanten tussen konden groeien. Gaspeldoorntakken werden ook als dakbedekking gebruikt of als versteviging bij het bouwen van lemen muren. Er werden eggen mee gemaakt, van de rechte stammen konden uitstekende wandelstokken worden gesneden, takken met de stekels er nog aan konden worden bijeengebonden om er schoorstenen mee te vegen. De gele bloemen, ten slotte, dienden niet alleen als grondstof voor wijn maar werden ook gebruikt om er stoffen mee te kleuren. Tot vandaag worden met Pasen in delen van Ierland gaspeldoornbloemen samen met eieren gekookt om de schalen mooi geel te kleuren.



Gereedschap voor het snijden van gaspeldoorn. Links: leder want voor de linkerhand.
Midden: sikkel met leder manchet ter bescherming van de rechterhand. 
Rechts: sikkel met leder manchet, het heft in stippellijn getekend.
Tekening van George Hadden, uit A.T. Lucas, Furze.

 


Het kneuzen van gaspeldoorn om de stekels te breken.
De plantenstengels worden op een steen gelegd en met een hamer geslagen.
Uit A.T. Lucas, Furze.


Het snijden van gaspeldoorn met een verzwaard hakmes.
Uit A.T. Lucas, Furze



Uit het voorgaande blijkt wel voldoende dat gaspeldoorn ontegensprekelijk een nuttige plant is. Nu heb ik zelf wat problemen met de vorige zin, want ik heb er een hekel aan planten en dieren in te delen in categorieën als nuttigonnuttigen schadelijk. Wij mensen hebben nogal vlot de neiging om alles te willen plannen en naar onze hand te zetten, en wat ons daarin niet tegenwerkt of zelfs een handje helpt en voordeel oplevert, heet nuttig. Komt het niet in ons kraam te pas, wordt iets al gauw nutteloos en krijgt het hinderlijke trekjes, veroordelen we het tot de categorie schadelijk. Nuttige planten koesteren we en proberen we zoveel mogelijk te vermeerderen, onnuttige organismen laten we in het beste geval met rust en als ze onze schema’s dreigen af te remmen, maken we er snel komaf mee. Als schadelijk bestempelde organismen proberen we te vuur en te zwaard te verdelgen. Thuis heb ik in mijn prille jaren het onderscheid tussen planten en onkruidmeegekregen. Planten waren wat we zelf pootten of zaaiden, onkruid was wat er spontaan in de tuin kwam groeien zonder dat we daarvoor iets hoefden te doen. De aardappelen, boontjes, erwten, ajuin, worteltjes, prei, selder en tomaten waren planten; de vogelmuur, weegbree, stijve klaverzuring, paarse dovenetel, kamille, melganzevoet, kruipende boterbloem, paardebloem en het perzikkruid, herderstasje, varkensgras en tandzaad, die overal helemaal uit zichzelf tussen de rijen met planten opschoten, behoorden daarentegen tot het onkruid, de vuiligheid zeg maar. Onkruid werd weggeharkt of uitgetrokken. Maar het werd niet weggesmeten bij ons thuis. We gaven het aan de kippen, de eenden en de konijnen, die er dol op waren. Dus ook onkruid was in feite nuttig, al werd dat niet hardop gezegd. We hadden echter een buurman die er anders over dacht. Die ging onkruid met de zware middelen te lijf. Hij sproeide dan een of ander vergif op de ongewenste plantjes en die werden geel of ros en verschrompelden. Vervelend was, dat de ligusterhaag aan de voet waarvan de gesmade plantjes groeiden, ook het loodje legde. En helaas ook de aardappelplanten die aan de andere kant van de haag, in onze tuin dus, waren gepoot. Het merkwaardige was, dat onze buurman ook konijnen had, en kalkoenen, die hij dus net zo goed had kunnen voeren met de minder gegeerde spontane plantjes uit zijn tuin. Maar dat deed hij niet. Hij plantte boerenkool, door ons krulsavooien genoemd, voor zijn dieren, of ging groen voor ze kopen. Wat spontaan tussen die kolen opschoot, kreeg vergif op zijn bast.   

 

Ook al was gaspeldoorn eeuwenlang een plant die op vele manieren bijdroeg tot de menselijke economie in delen van Europa, niettemin had hij veelal de reputatie een armzalig stuk vuiligheid te zijn, dat vooral groeide op minderwaardige grond, zijn prachtige bloeiwijze ten spijt. De tegenstelling tussen de verschillende kwaliteiten, negatieve en positieve, die de plant werden toegedicht – enerzijds een lastig onkruid dat de voorkeur geeft aan gronden van laag allooi in afgelegen streken, anderzijds een struik met een resem nuttige toepassingen, aan de ene kant een stekelig geval dat alleen goed is om de vossen op een afstand te houden, anderzijds een uitstekend voer voor de paarden én een plant die mooie bloemen geeft waarmee je wol een warm geel kan kleuren – deze tegenstrijdige kenmerken maakten dat gaspeldoorn als metafoor zowel een positieve als een negatieve lading kan dragen.

 

***

 

Niet dat Ulex europaeus alomtegenwoordig is in de wereld van de verbeelding. Sommige planten hebben een onmiskenbare stempel gedrukt op diverse aspecten van het cultuurleven. Ze duiken overal op in de kunst, ook in de volkskunst, zijn alomtegenwoordig in poëzie en literatuur, hebben een vaste plek veroverd in uitdrukkingen en zegswijzen en fungeren als symbolen en metaforen in religie, mythe en rite. Roos, lelie, linde, appel, vijg, wijnstok, maretak: ze zijn niet weg te denken uit onze culturele overlevering. Bij de gaspeldoorn is dat heel wat minder het geval. In de symbolische en rituele tradities van de Lage Landen, bijvoorbeeld, lijkt Ulex europaeus zo goed als afwezig. Tenminste: ik heb in de etnobotanische en folkloristische literatuur over Nederland en Vlaanderen nauwelijks enig spoor van de plant kunnen terugvinden. Zelfs Isidoor Teirlinck vermeldt hem amper. In Flora magica kunnen we lezen dat in de omgeving van Diest de gaspeldoorn “heksenhout” wordt genoemd. In Frankrijk, waar rond l’ajonc wel een overlevering bestaat, blijkt de plant eveneens in verband te worden gebracht met heksen. Zo wordt het hout gebruikt om er de karnstok mee te maken: tovenaars en heksen kunnen de boter niet beheksen als ze met gaspeldoornhout werd gekarnd. Teirlinck zegt dat in de Franse Vendée “toovenaars verplicht (zijn) barvoets op den buitengewoon stekeligen Gaspeldoorn te dansen.” Melissa van Crombrugghe wijst in haar masterscriptie op de associatie van de struik met de Duivel, wat volgens haar mogelijk te maken heeft met zijn stekeligheid en de giftigheid. Wat die giftigheid betreft, lijkt het overigens nogal mee te vallen, zoals we al konden vaststellen. 

In sommige delen Frankrijk wordt de gaspeldoorn niet alleen met de Duivel geassocieerd, nee: het was de Duivel die de plant creëerde. Dat ging zo. Toen God bezig was met de wereld te scheppen, probeerde de Duivel ook zijn duit in het zakje te doen. Telkens de Almachtige een dier of plant schiep, trachtte de Duivel deze scheppingsdaad te imiteren, maar dat wou gewoonlijk niet zo best lukken. Zo schiep God bijvoorbeeld het schaap, waarop de Duivel de wolf creëerde. God schiep de arend, de Duivel reageerde met de kerkuil. God schiep de nachtegaal, de Duivel maakte de mus. Op de goddelijke schepping van de laurier, volgde de duivelse creatie van de hulst. En ga zo maar door. Zo maakte God ten slotte ook de brem, en de Duivel riposteerde met de gaspeldoorn.  


Gaspeldoorn.
Uit Annals of the Missouri Botanical Garden (1980).

 


Ook op de Britse Eilanden wordt gaspeldoorn met heksen in verband gebracht, maar dan als afweermiddel. Volgens James George Frazer werd op het eiland Man op 1 mei gaspeldoorn verbrand om heksen te verjagen of te weren. Ook de romp van schepen werd met een brandende gaspeldoornbos geschroeid om de krachten van het kwaad op een veilige afstand te houden. In Ierland en Wales werd een takje boven de deur gehangen om heksen en elfen af te weren. In Wales plantte men gaspeldoorn als haag rond woningen, om de boze geesten buiten te houden. Soms werd een rite voltrokken: families knielden in de tuin, vader met het gelaat naar het westen gekeerd en achter hem de andere leden van de familie, met als laatste de jongste, die het meest oostelijk zat. De knielenden baden tot de gaspeldoorn (gorsts) om hen te beschermen, “La nuit, quand le bois craque, quand des centaines de petites pattes courent dans le grenier, quand les écharpes blanchâtres flottent au-dessus de l’étang, surtout resserez-vous, gorsts, entremêlez bien vos épines. Ne laissez passer Ceux et Celles qu’on ne nomme pas, à l’heure où ils se bousculent sur la lande pour venier rôder autour des lieux habités.” (Éloïse Mozzani: Le livre des superstitions

 

Als plant van desolate heaths en moors die door hun begroeiing een haast eindeloze zee van geel vormen waarin elk oriëntatiepunt ontbreekt, was de gaspeldoorn bij uitstek geschikt om te figureren in voorstellingen van het vagevuur, waarin de ziel na de dood haast eindeloos ronddoolt om te worden gelouterd en uiteindelijk het paradijs te vinden of te worden veroordeeld tot de hel. In de Lyke Wake Dirge die in Yorkshire werd gezongen bij een overledene, wordt de ziel op haar weg naar de eeuwigheid geteisterd door de stekels van de gaspeldoorn, die in Yorkshire en de rest van noordelijk Engeland en Schotland whin of whinne heet:

 

This ae nighte, this ae nighte,

(Refrein) —Every nighte and alle,

Fire and fleet and candle-lighte,

(Refrein) And Christe receive thy saule.

When thou from hence away art past,

—Every nighte and alle,

To Whinny-muir thou com'st at last;

And Christe receive thy saule.

If ever thou gavest hosen and shoon,

—Every nighte and alle,

Sit thee down and put them on;

And Christe receive thy saule.

If hosen and shoon thou ne'er gav'st nane

—Every nighte and alle,

The whinnes sall prick thee to the bare bane;

And Christe receive thy saule.

From Whinny-muir when thou may'st pass,

—Every nighte and alle,

To Brig o’ Dread thou com'st at last;

And Christe receive thy saule.

From Brig o’ Dread when thou may'st pass,

—Every nighte and alle,

To Purgatory fire thou com'st at last;

And Christe receive thy saule.

If ever thou gavest meat or drink,

—Every nighte and alle,

The fire sall never make thee shrink;

And Christe receive thy saule.

If meat or drink thou ne'er gav'st nane,

—Every nighte and alle,

The fire will burn thee to the bare bane;

And Christe receive thy saule.

This ae nighte, this ae nighte,

—Every nighte and alle,

Fire and fleet and candle-lighte,

And Christe receive thy saule.

 

Whinny-muir, Brig o’ Dread en Purgatory fire zijn het voorgeborchte van hemel en hel: pas na loutering door hun beproevingen is de ziel klaar voor de ene of de andere. Een vergelijkbaar beeld van het hiernamaals biedt het Bretoense volksgeloof. In Bretagne geloofde men dat de zielen van de afgestorvenen die zich in het Vagevuur bevinden, boete moeten doen tussen de gaspeldoorns met hun stekels. Als op een stuk land de gaspeldoorns werden gehakt, hoestten de werklieden om de penitenten te verwittigen, zodat ze niet per ongeluk ten prooi zouden vallen aan het hakmes. 


Lizzie Harper, Ulex gallii.

 


Gaspeldoorn bloeit haast het hele jaar. Ik zei eerder al, dat dit vooral zo is omdat veel gaspeldoornpopulaties in feite uit verschillende Ulex-soorten bestaan waarvan de bloeitijd op mekaar aansluit. Dat is echter een botanische uitleg. Voor de volkse traditie, die het land heeft aan botanie, zijn er geen Ulex-species: er is alleen gaspeldoorn en die draagt continu bloemen. In de Franse Vienne luidde het, dat de die onafgebroken bloei een geschenk is van Jezus, die zich achter plant had kunnen verbergen toen hij door belagers werd achtervolgd. Een andere versie van het verhaal zegt, dat alleen op kerstdag de gaspeldoorn niet bloeit, maar de rest van het jaar wel. Volgens een Frans gezegde is het dan weer op de dag van Sint-Jan dat je geen gaspeldoornbloem zal vinden, en de rest van het jaar wel. Een Bretoens verhaal maakt de Duivel verantwoordelijk voor de eeuwige bloei van de plant. “Une légende du Finistère,” schrijft Paul Sébillot, “explique l’origine de cette floraison perpétuelle: au temps jadis, le Diable mécontent de ce que tous les Bretons mouraient en état de grâce et s’en allaient droit au ciel, se présenta à la porte du Paradis pour se plaindre à Dieu. Celui-ci lui accorda les âmes de tous ceux qui mourraient quand la lande ne serait pas en fleur. Le Diable descendit sur terre en se frottant les mains de contentement: on était en novembre et il pensait que l’ajonc cesserait de fleurir. Mais les mois se passèrent et la lande était toujours couverte de fleurs d’or. Alors il planta des vignes autour de la Bretagne, et comme il les soignait lui-même, la chaleur de son corps fit merveilleusement mûrir le raisin; la récolte fut si abondante que, pour l’écouler, il fut oblige d’ouvrir des cabarets; il en installa même sur le chemin du Paradis. Les Bretons qui continuaient à y aller, car la lande était toute l’année en fleurs, s’arrêtaient pour boire un coup, et le Diable les happait au seuil de la porte, car ils sortaient saouls perdus, et les menait en enfer.” 


Gaspeldoorn.
Uit G.C. Oeder,  Flora Danica (1771-1777).

 


De ogenschijnlijk schier ononderbroken bloei van de struik zorgt ook voor associaties met duurzame liefde. Zeggen te zullen liefhebben zolang de gaspeldoorn in bloei is, is niets minder dan eeuwige liefde beloven. “Quand les jans sont en flour, les filles sont en amour.” Immers: “En tout lieu, en tout temps, il y a de la fleur de jan.” Of: “Kissing’s out of fashion when the whin is out of blossom.” En: “For kissing there’s room when the gorse is in bloom.”

Misschien is het wel omdat gaspeldoornbloemen eeuwige, of toch minstens langdurige liefde symboliseren, dat ze in Devon vaak mee in het bruidsboeket werden gestoken. In dit graafschap danste men ook de traditionele Vuz Dance of Flowers, waarbij jonge vrouwen en mannen de gelegenheid hadden een huwelijkspartner te vinden. Een ingewikkeld ritueel hield in dat een talesman, een mannelijke danser, danste met een bundel gaspeldoorntakken in de hand, bekroond met een hazelnoottak met daarop een bos gaspeldoornbloemen, vastgebonden met gekleurde linten. De dansers brachten hun solodans, begeleid door een fluit en een trom. Als de dans stopte, koos een meisje een talesman van haar keuze, en als de interesse wederzijds was, dansten de koppels samen. Resulteerde de dans in een huwelijk, gebruikte men de gaspeldoornbundel als brandstof om de eerste maaltijd mee te koken. 

Eveneens in Devon, was het de gewoonte in de kerstdagen een kissing bush van gaspeldoorn op te hangen, een variant op de meer gebruikelijke maretakbos. 

Gaspeldoorn speelde ook in Ierland een belangrijke ceremoniële rol in de rituelen van bepaalde feestdagen. Rond Kerstmis, vooral met kerstavond of op tweede kerstdag, Sint-Stefaan, verzamelden in sommige streken van Ierland en Groot-Brittannië jonge mannen om jacht te maken op de winterkoning. Eens het vogeltje was gevangen, werd het in een triomfstoet meegedragen door de dorpen, waarbij liederen werden gezongen en, vooral, veel werd gedronken. Het vogeltje werd in een kooitje gestopt of op een bos bevestigd die versierd was met linten. De liedteksten varieerden van streek tot streek, maar een klassieke versie luidt:

 

We hunted the wren for Robin the Bobbin,

We hunted the wren for Jack the Can, 

We hunted the wren for Robin the Bobbin, 

We hunted the wren for everyone.

The wren, the wren, the King of all birds

St Stephen’s Day was caught in the furze;

Although he is little, his family’s great,

I pray you, good landlady, give us a treat.

 

Merkwaardig is, dat de bussel die werd meegedragen, spijts de furze uit de liedtekst, maar heel zelden gaspeldoorn was. Meestal hadden de wren boys enkele hulsttakken mee, met soms nog takken van andere bomen of struiken ertussen. In feite was het alleen in het graafschap Clare dat gaspeldoorn redelijk frequent werd gebruikt. Waarom dat zo is, en waarom er ook overal elders toch steevast werd gezongen over the wren in the furze, blijft duister. 

Op 1 mei, May Day, werd in Ierland de May Bush gemaakt. “A bush or the branch of a tree was decorated with flowers, ribbons, eggshells or anything else which struck the fancy as fittingly decorative and it was set up near the house, often, indeed, planted on the dunghill.” (A.T. Lucas: Furze)

Behalve de May Bush, waren er ook de May Flowers. Soms waren die een aanvulling op de May Bush, maar vaak stonden ze op zich. Bloemen werden geplukt en op vensterbanken en huisdorpels gestrooid en ook binnenshuis werden ze gebruikt om het huis te versieren. Een favoriete bloem was de dotterbloem (Caltha palustris) en vaak werden ook bloesemtakken van appel en meidoorn geplaatst. In sommige graafschappen van Ierland was de gaspeldoorn prominent als versiering. In sommige streken werd het plaatsen van een gaspeldoorntak met bloemen gezien als een geluksbrenger, in andere was men er daarentegen van overtuigd dat het onheil bracht.

Ook op het continent gebruikte men soms gaspeldoorn in een rituele context. In het Zuid-Franse departement Var, zegt Eugène Rolland, droegen jongetjes die hun eerste communie deden een kroontje van gevlochten gaspeldoorn, een verwijzing naar de doornenkroon van Christus. Meisjes droegen een bloemenkroontje. 


Gaspeldoorn. 
Oude wandplaat, niet gedateerd.

 


In Frankrijk hadden de bloemen van gaspeldoorn vaak een negatieve connotatie. Een jong meisje dat door de gemeenschap als niet al te werklustig werd ervaren, kon wel eens een boeketje met gaspeldoornbloemen op haar vensterbank aantreffen. Zette men op 1 mei zo’n boeketje voor haar deur, was dat omdat men vond dat ze een slecht karakter had. In Schotland was het dan weer heel dom om gaspeldoornbloemen in huis te halen: op die manier haalde je ook de dood in huis en zou gegarandeerd een van de bewoners overlijden. Je gaf ook geen boeketje met gaspeldoornbloemen als je ook maar een ons verstand had: dat was om problemen vragen. Roy Vickery haalt een getuigenis aan uit het kerstnummer van 1898 van de Weekly Scotsman: “Some years ago, when in Fifeshire, I plucked a very fine bloom of gorse in a bleak season when no other wild flowers were to be seen. Meeting an elderly lady, she exclaimed on its beauty. I, thinking to please her, said ‘You can have it,’ at the same time handing it to her. ‘Oh,’ she said, ‘why did you do that? It is very unlucky to give anyone whin blossom; we shall be sure to quarrel.’ I laughed and said, ‘I never heard of that freit. Perhaps when one does it in ignorance it won’t work.’ A few days later I had the ill luck to offend the said lady. She was very angry, and gave me her opinion of me in no measured terms, ending in saying, ‘That’s your present of whin bloom.’” (Roy Vickery: A Dictionary of Plant -Lore)

“More than 60 years ago,” verklaarde een Ierse informant van Roy Vickery in 1984, “I lived with my parents in the town of Listowel… a couple of miles down river from the town there were acres of shrubland completely covered by… furze bushes… one early spring I decided to bring a bunch of them to mother who, being a countrywoman, was very fond of wild flowers, but… being appreciative of the thought [she] told me to immediately take them out of the house without laying them down and never bring them in again. She told me they were extremely unlucky, and this later in life I found to be the view all over this country.” (Roy Vickery: ibidem)

Nog rond 1980 werd geloofd dat je gaspeldoornbloemen best uit de buurt houdt: “In October 1979 I was told by a London school teacher, then in her 20s, that at the first school which she attented as a child, in Hampshire, children were afraid to touch gorse flowers because it was believed that dragons lived, or were born, in them.” (Roy Vickery, ibidem)

 

De goudgele bloemen van de gaspeldoorn werden vaak met het edele metaal goud vergeleken. In Ierse verhalen waarin stervelingen contact hebben met iemand van het elfenvolk, blijkt wat aanvankelijk een overvloed aan goud leek, op de keper beschouwd slechts gaspeldoornbloesem te zijn. Zo bijvoorbeeld in het verhaal, opgetekend in 1897, van de ontmoeting tussen Sean O’Shea, een herder uit Knockfennel, en de elfenkoningin Áine. Op een augustusavond komt Sean “a fine lady” tegen. De volgende morgen vertelt zijn vrouw hem dat ze een nare droom had, waarin het stijfsel voor haar zondagse muts geel was geworden als goud en een mooie dame in een rijtuig haar bespotte, terwijl ze met de ene hand gouden ballen omhoog gooide, die ze met de andere weer opving. De dame bleef de hele tijd grijnzen en Seans vrouw werd bang en ontwaakte tenslotte. Sean zocht de dame die hij had ontmoet op en reed met haar naar haar woonst. “Inside, a great ball was in progress, with good food, drink, and company. Hen then saw shoals of freshwater fish gazing in admiration through the windows of her enchanted banquet hall, for he was in one of the submerged palaces of Geároid Iarla. At the end of the night, the lady gave him a purse of gold, which on awakening he discovered contained only yellow furze flowers.” (geciteerd uit Michael Danes: Mythic Ireland)


Gaspeldoorns Ulex nanus en Ulex europaeus.
Uit M. Laguna y Villanueva & P. de Avilla y Zumaran, Flora forestal espanola, Atlas (1890).


Hoewel het goud van de gaspeldoorn vaak fools’ gold blijkt, geven sommige Ierse uitdrukkingen de indruk dat de associatie van de plant met goud ook wel in positieve zin gebeurde. “An t-or fe’n ainteann, an t-airgead fe’n luachair agus an gorta fe’n bhfraoch” luidt een Iers spreekwoord: “Goud onder gaspeldoorn, zilver onder bies, honger onder heide.” Ook in Engeland dacht men er blijkbaar zo over, want een gelijkaardig geluid komt uit Yorkshire: “Where there’s bracken there’s gold, where there’s gorse there’s silver, where there’s heather there’s poverty.” Hoewel gaspeldoorn weinig kieskeurig is wat betreft de kwaliteit van de bodem waarop hij groeit, wordt hier gesuggereerd dat grond waarop de plant staat waardevol is. Al in de middeleeuwse Dindschenchas, een verzameling oude Ierse verhalen die over de geschiedenis van specifieke locaties handelen (dindschenchas betekent “topografie”), wordt gaspeldoorn met vruchtbaarheid, dus met échte rijkdom, in verband gebracht. De collectie bevat een verhaal waarin Dubthach, de kinderloze zoon van koning Eoghan van Munster, het bed deelt met Fedelm, de dochter van de druïde Dinel. De druïde voorspelt dat zijn dochter Dubthach een zoon zal schenken die machtig en welvarend zal zijn. Eén van de zegeningen die de zoon zal kennen, heeft betrekking op de vruchtbaarheid van het Burren district in het graafschap Clare:

 

Bairend, cid soréid uile,

Ásfaid comba Cloch Daire:

Bíaid immad aittin ann

I tírib áillib Érann.

 

Hoewel Bairend vlak is,

Zal het zwellen en Cloch Daire zijn:

Er zal een overvloed aan gaspeldoorn groeien,

In het mooie land van de Erainn.

 

Dit neemt niet weg dat in andere Ierse verhalen gaspeldoorn vooral lelijkheid impliceert. De afzichtelijke heks die aan de zonen van Daire verschijnt (van wie er een is voorbestemd om koning van Ierland te worden), wordt in de Dindschenchas vergeleken met een heuvel waarop gaspeldoorn groeit. 


Gaspeldoorn.
Uit P. Bulliard,  Flora parisiensis (1776).


Het voorkomen van gaspeldoorn in een aantal traditionele Ierse verhalen, betekent niet dat de plant enige rol van betekenis speelde in de Keltische mythologie. Dat is, voor zover we weten, niet het geval. Hij wordt slechts heel sporadisch vernoemd in de epische tradities van Ierland en Wales. De struik speelt een uiterst bescheiden rol in het oude Welse gedicht Cad Goddeu, en hij maakt hoogst waarschijnlijk ook deel uit van het oude ogham-bomenalfabet van de Ieren. Cad Goddeu is een kort dichtwerk dat werd bewaard in het 13de-eeuwse Llyfr Taliesin (Boek van Taliesin). Het verhaalt een oorlog tussen Arawn, de koning van Annwfn, en de mythische landbouwer-tovenaar Amaethon. Centraal in het gedicht is er een episode waar de tovenaar Gwydion met zijn magische staf bomen transformeert tot krijgers. De bomen treden dus in het strijdperk, en het is onder de titel The Battle of the Trees, de strijd van de bomen, dat het gedicht enige bekendheid heeft gekregen. Omdat gwydd in het Wels zowel “boom” als “letter” betekent, heeft men in de strijd van de bomen wel een poëtisch gevecht willen zien. Cad Goddeu lijkt de bomen die erin optreden, bepaalde eigenschappen en krachten toe te schrijven, maar de eigenlijke bedoeling van het gedicht is obscuur. De gaspeldoorn (eithin) wordt één keer in het gedicht vermeld: 

 

Eithin ni bu vad

Er hynn gwerinad.

 

The Gorse was never prized;

Thus it was vulgarized.

 

De betekenis van dit stanza is onduidelijk, maar dat kan dus gezegd worden van heel Cad Goddeu

 

Het bomenalfabet dan.

In feite gaat het om het ogham-alfabet, een schrift dat vanaf de 4de eeuw CE werd gebruikt om er Goidelisch (Iers), en later ook Brythonisch (Wels en Cornisch) en Pictisch mee te schrijven. Het bleef enkele eeuwen in voege en geraakte tegen de 8ste eeuw in onbruik. Het ogham is een lineair schrift, dat bestaat uit een reeks markeringen die aan een verticale centrale lijn worden toegevoegd. Het wordt van onderen naar boven geschreven en werd vooral gebruikt om op opgerichte stenen inscripties aan te brengen. Die werden dan gebeiteld aan de twee kanten van de hoek van een steen, waarbij de hoek zelf als centrale verticale basislijn diende. Het ogham bestaat uit twintig letters, die kunnen worden verdeeld in vier groepen of aicmes (een vijfde groep, die klanken moest weergeven die nog niet bestonden toen het schrift werd geïntroduceerd, werd toegevoegd toen het alfabet in feite al bezig was aan zijn neergang). De benaming bomenalfabet, ook beth-luis-nion, wortelt in het Ierse gebruik om de verschillende letters de naam te geven van een boom waarvan de naam met de letter in kwestie begint. A, b, c is voor de Ieren ailmbeithe (of beth), coll: “den”, “berk”, “hazelaar”. De benaming beth-luis-nion, een heel courante naam voor het ogham-schrift, noemt drie letters uit de eerste van de vier aicmes: “berk”, “lijsterbes” en “es”. Omdat bij de oude en vroegmiddeleeuwse Ieren het schrift geen breed verspreid communicatiemiddel was, maar slechts werd gebruikt voor een beperkt aantal doeleinden (grafschriften, herdenkingen, grensmarkeringen etc.), hebben nogal wat theorieën het levenslicht gezien die van ogham een geheimschrift willen maken, bedoeld om er occulte kennis mee door te geven aan geïnitieerden, een soort druïdische vrijmetselarij als het ware. Ook de omstandigheid dat de letters namen van bomen kregen, heeft bijgedragen tot veronderstellingen over de esoterische aard van het ogham-schrift. Niet alle letters hadden echter oorspronkelijk de naam van een boom: sommige verwezen naar een abstract begrip of een voorwerp. Zo was de letter tinne oorspronkelijk “een metalen staaf”; het waren latere glossatoren die voor de (secundaire) associatie met “hulst” verantwoordelijk zijn. De Engelse dichter Robert Graves heeft flink bijgedragen aan het denkbeeld dat het bomenalfabet een esoterisch karakter heeft: het zou een code zijn die mythologische kennis over de mysteriën van de Drievoudige Godin doorgeeft aan wie erin is ingewijd, volgens hem de dichters die de poëtische traditie in ere houden. In Graves’ visie, heel interessant en ingewikkeld en frustrerend hermetisch uiteengezet in The White Goddess, zijn het gedicht Cad Goddeu en het alfabet overigens gerelateerd. Daarbij stellen zich serieuze problemen. De lijsten met bomen van het gedicht respectievelijk het alfabet komen niet overeen: Cad Goddeu noemt bomen die in ogham ontbreken, en vice versa. En de volgorde van de bomen is helemaal anders in het gedicht dan in het alfabet. Om de twee min of meer met mekaar te doen overeenstemmen, wijzigt Graves de volgorde van de verzen van het gedicht, en geeft hij ook erg idiosyncratische vertalingen van de tekst (Graves gaf zelf trouwens toe dat hij in feite geen Wels kende). Het is dan ook weinig verwonderlijk dat de theorieën over het gedicht en het alfabet door zowat alle specialisten op het vlak van de middeleeuwse Welse poëzie zo’n beetje zijn weggelachen. Wat ook weer jammer is, want The White Goddess is een schitterende, erudiete en eigenzinnige reflectie over het wezen van de poëtische verbeelding. 


Ulex gallii. Specimen in herbarium.
University of Birmingham. 


Wat de gaspeldoorn betreft: die komt in het bomenalfabet voor, maar het is niet helemaal duidelijk achter welke letter hij precies schuilgaat. Traditioneel wordt hij in verband gebracht met de letter onn, de tweede letter van de vierde aicme. Ook Graves identificeert de gaspeldoorn met onn. Gaspeldoorn is de plant van het voorjaar, “which with its golden flowers and prickles typifies the young Sun at the Spring equinox, the time when furze fires are lighted on the hills.” Zijn gele bloemen lokken de eerste bijen van het jaar, zoals de laatste bijen de klimop bezoeken. Gaspeldoorn is ook geassocieerd met On-niona, volgens Graves een godin van de Galliërs, die in essenbossen werd vereerd. Haar naam zou een samentrekking van onn en nion, wat erop wijst dat haar feest de evening van de lente is. Het slaat natuurlijk nergens op dat een Gallische godin een naam zou hebben gehad die Iers is. Niettemin dook ik, geïntrigeerd door deze godin waar ik nog nooit van had gehoord, even in de literatuur over Keltische religie, mythologie en archeologie, maar kwam van een kale reis thuis: behalve Graves kon ik slechts één enkele auteur terugvinden die On-niona vermeldt. Niall Mac Coitir schrijft in Irish Trees in het hoofdstukje over de es, dat de Gallische godin Onniona in essenbosjes werd vereerd. De bron waar hij naar verwijst is Robert Graves. Ik vraag me dus ernstig af of het bestaan van On-niona geen voorbeeld is van Gravesiaanse dichterlijke vrijheid. 

 

Mac Coithir leest de letter onn overigens als “es”. Voor hem is de gaspeldoorn de letter gort. De oorspronkelijke betekenis van gort is overigens “veld”, maar volgens de meeste glossatoren staat de letter voor “kamperfoelie” of “klimop” (ook Graves identificeert de letter met klimop). Mac Coithir sluit kamperfoelie (Iers edlenn) en klimop (Iers edeand) uit als kandidaten voor deze letter: kamperfoelie omdat het een zuivere klimplant is die nooit een boomachtig karakter krijgt, klimop omdat die toch maar moeilijk in verband te brengen is met de oorspronkelijke associatie van de letter met de notie “veld”. Gaspeldoorn komt wel in aanmerking: het is een plant van de open vlakten die met wat goede wil toch voor een kleine boom kan doorgaan, en, vooral, het is een plant die een hoop kwaliteiten heeft waar de Ierse samenleving dankbaar gebruik van maakte. Mac Coithir verwijst hier naar de studie van A.T. Lucas waaruit ik ook uitvoerig heb geput, dus ik ga hem niet tegenspreken. Hoewel. Lucas probeert de diverse manieren waarop gaspeldoorn in Ierland werd gebruikt, zoveel mogelijk te dateren. Omdat zijn bronnen gewoonlijk dateren van ten vroegste de 16de eeuw, terwijl het een enkele keer mogelijk is om tot een vroeger tijdstip, in de middeleeuwen bijvoorbeeld, terug te gaan voor een of ander gebruik, doet Lucas in feite vooral uitspraken over de moderne en de contemporaine periode. En terecht, want het lijkt me vrij gewaagd het bestaan van gebruiken uit de moderne tijd zonder meer te extrapoleren tot in de vroege middeleeuwen en zelfs de late oudheid, hetgeen Mac Coithir de facto doet. We hebben er echter geen idee van hoe de Ieren uit de tijd waarin het ogham-schrift werd gebruikt, over de gaspeldoorn dachten. Als laatste argument voor zijn identificatie van gort met de gaspeldoorn, wijst Mac Coithir op de gelijkenis van edeand, klimop, met aitheann, gaspeldoorn. Oorspronkelijk zou de gaspeldoorn geassocieerd zijn geweest met gort, maar latere glossatoren zouden aiteann zijn gaan dooreenklutsen met edeand, en zo zou klimop in het alfabet zijn terechtgekomen.

Tja.

***

 

Adembenemend mooi: zo is een heidevlakte begroeid met bloeiende gaspeldoorn. Een gouden, golvende zee, met hier en daar paarse vlekken van struikhei ertussenin, die het vlammende geel nog accentueren. Het verhaal gaat dat toen Carolus Linnaeus, de grote Zweedse geleerde die aan de basis ligt van de moderne biologische systematiek, voor het eerst op een Engelse common kwam, bij de aanblik van de bloeiende gaspeldoorns neerknielde en God dankte om zoveel schoonheid. Waarschijnlijk vond dit plaats in 1736 op Putney Heath, dat vandaag in Greater London ligt maar in Linnaeus’ tijd een afgelegen wildernis was ver buiten de stad. Maar Putney Heath is niet de enige plek die zich erop beroemt met zijn schoonheid Linnaeus op de knieën te hebben gekregen: nog een resem andere commons eisen die eer voor zichzelf op (het is een beetje zoals met de cafés tussen Samber en Maas waarin Napoleon zou hebben overnacht).  


Winterkoning zingend tussen gaspeldoorn.
Foto Paul Miguel. 

 

Provençaalse grasmus op gaspeldoorn.
Foto Danny Hampton.


Gaspeldoorn. Arthur's seat nabij Edinburgh, Schotland.


Edelherten tussen gaspeldoorn en heide. De furze is op deze plek zo goed als uitgebloeid. Dunwich Heath, juni 2009.
Foto Nora de Smet.


Richard Mabey raakt in Flora Britannica maar niet uitgepraat over de pracht van een gaspeldoornveld, en daar heb ik alle begrip voor. Ik had het eerder al over die ene keer, toen we op Dunwich Heath een paartje Dartford warblers volgden die tussen de gouden bloemtoortsen heen en weer fladderden, en we plots oog in oog stonden met enkele edelherten. De herten bevonden zich op slechts enkele meters van ons, maar waarschijnlijk stond de wind gunstig en hadden ze onze geur niet opgevangen temidden de bedwelmende kokos-met-vanillelucht van de furze. Geen tien meter voorbij de herten klotste de branding van de Noordzee. Er zijn foto's van die ontmoeting te midden van de gaspeldoorn. Ik ben ze gaan opzoeken. En zoals wel meer gebeurt, blijkt dat het geheugen me een loer draait. In mijn herinnering zie ik de herten midden in een canvas van goudgeel, bronsgroen en paars. Op de foto ontbreekt echter het geel. De herten staan weliswaar tussen de furze, maar die is op die plek zo goed als uitgebloeid. In mijn hersenen hebben beelden van het gele landschap met de grasmussen en van de herten zonder geel mekaar gecontamineerd. Zoals ik eerder al zei: het geheugen is een verraderlijk ding.

Mabey besluit zijn lyrische stuk over de iconische Ulex europaeus met een fragment uit Juggling Jerry van George Meredith, waarin die een oude man aan het woord laat, die zich vroegere beelden en geuren herinnert. Ik doe schaamteloos hetzelfde:

 

Yonder came smell of the gorse, so nutty,

Gold-like and warm: it’s the prime of May.

Better than mortar, brick and putty,

Is God’s house on a blowing day.

Lean me more up on the mound; now I feel it;

All the old heath-smells! Ain’t it strange?

There’s the world laughing, as if to conceal it,

But he’s by us, juggling the change.

 

 

***

 

Een paar dagen geleden moest mijn teerbeminde nog maar eens naar haar tandarts in Sint-Job-in-‘t-Goor. Terwijl zij aan haar gebit liet prutsen, maakte ik een wandeling in de buurt. Ik besloot het wegje eens te proberen dat volgens de tandarts naar een mooi stukje bos voert. Ik kwam inderdaad na een meter of 50 op een onverhard pad, dat tussen dennen en berken loopt. Tussen het omhoogschietende jonge groen staat een betonnen plaat met de straatnaam erop: “Elzenkouter”, in afgebladderde en later weer ietwat stuntelig bijgeschilderde letters. Links zie je in de verte, tussen de bomen en struiken door, de auto’s voorbijrazen op de E19, rechts is er al onmiddellijk een weg die weer naar een woonwijk voert. Ik loop tussen de bomen over de zachte bosgrond, een dik tapijt van naalden en gevallen bladeren. De plantengroei in het bos is grotendeels zoals ik hem mij herinner van het lapje grond bij de Bergsebaan, destijds: grove den, ruwe berk, lijsterbes, vogelkers, spork, hulst, hier en daar een eik en een lork, overal bramen, op de bodem heel veel look-zonder-look, zevenblad, nagelkruid, blauwe bosbes, diverse varens en prachtige mospartijen – volgens mijn Obsidentify-app onderandere veel fraai haarmos, maar ik ken helaas veel te weinig van mossen om te kunnen bevestigen of dit klopt. Er staat tussen de bomen ook nogal wat rododendron en laurierkers, naar ik vermoed restanten van de tijd toen dit stukje bos nog was verdeeld in afgebakende percelen met weekendhuisjes erop. Hier en daar nog een gammel hek of restanten van oude omheiningen lijken mijn veronderstelling te bevestigen. De stormwind van de jongste weken heeft nogal wat dennen doen sneuvelen, er liggen veel ontwortelde bomen en nu en dan ligt er ook een waarvan de stam op een meter of twee is afgeknakt, als was het een potlood. Roodborsten, merels, winterkoningen, vinken en koolmezen zijn van de partij, net als gaaien die nu en dan scheldend en krijsend en met opgezette kuif mijn pad kruisen. Tussen het wat metaalachtige liedje van tegen elkaar op zingende roodborsten, hoor ik een zanglijster en, denk ik, een boomklever. Na een paar honderd meter moet ik rechtsaf buigen en wat later nog eens: ik kom weer op het pad terecht waar ik de wandeling begon en besluit terug te keren naar de tandartsenpraktijk, waar mijn betere helft hopelijk intussen de folterkamer heeft mogen verlaten. Enkele minuten later is ze er, met een verdoofde onderlip en blij dat ze voorlopig niet terug moet.

 

Het is nog in de vroege voormiddag en we besluiten Sint-Job eindelijk eens wat beter te verkennen. Eerst gaan we naar het centrum, dat nu veel groter is dan ik het me herinner en waar ik zo ongeveer niets herken (nogal wiedes: in 1951 had Sint-Job volgens de Seyn 1512 inwoners, in januari 2019 waren dat er volgens Wikipedia 8515). Dan naar de Bergsebaan, die in niets meer lijkt op de nauwelijks verharde weg uit mijn jeugdige herinnering. Al het bos is verdwenen, net als de velden en de tuinen. De gracht langs de weg is gedempt en aan weerszijden van de straat is er nu een haast helemaal aaneengesloten huizenrij. Ik probeer nog een enkel herkenningspunt te ontdekken, maar vind er geen: het lukt me niet om zelfs maar bij benadering de plek te situeren waar het buitenhuisje van Marieke en Lina vroeger heeft gestaan. 

We besluiten te gaan wandelen op de Vraagheide. Waar die zich precies bevindt, weten we niet, maar er is een De Vraagstraat, een Grote Vraagstraat, een Kleine Vraagstraat en een Vraaghoeve: daar in de buurt zal het wel te doen zijn, concluderen we. We laten ons karretje achter op de parking tegenover de Keysershoeve, helemaal aan het einde van de Bergsebaan, waar we na de wandeling waarschijnlijk iets zullen eten of drinken – tegen die tijd is de onderlip van mijn wederhelft hopelijk weer ontwaakt. We waren hier nooit eerder, dus op goed geluk af gaan we op stap. Links en rechts van een onverharde weg is er bos, aan de ene kant vrij toegankelijk, aan de andere afgezet met prikkeldraad. Het gebied waar zich vroeger de heidevlakten uitstrekten, werd volgens de tekst op het informatiepaneel dat tegenover de parking staat, bebost in de Oostenrijkse tijd. Een groot stuk heide bestond nog tot circa 1950, maar daarna kwam bos- en weiland voor een deel ervan in de plaats. Onze eerste verkennende wandeling brengt ons langs veel bos en weiland, sommige stukken toegankelijk, andere privé, maar heide krijgen we niet te zien. We komen bij een plek die “de Vliegplein” heet, hoewel er nergens nog een vliegveld te bekennen is. Blijkbaar verwijst de naam naar het aëronautische verleden van de streek, toen hier een luchtvaartpionier actief was, Pierre Henri Marie Amédée baron de Caters de Bosschaert, die al voor de Eerste Wereldoorlog (1908) proefvluchten ondernam en later een vliegveld oprichtte met meteen een vliegschool erbij. Behalve vliegenier was hij ook cyclist, bootracer en autocoureur, een snelle jongen dus. Niet alleen de Caters de Bosschaert bromde overigens door het Kempische zwerk, ook de in brede kring veel bekendere Jan Olieslagers, “den Antwerpschen Duivel”, verdiende hier zijn eerste sporen. Maar diens faam is toch vooral verbonden aan Deurne, waar hij aan de basis lag van het vliegplein. Wat de Caters betreft: in het bos bevindt zich, helemaal verscholen tussen de rododendrons, nog een Caterskapel, een wit en blauw geschilderd bakstenen gebouwtje zonder enig bijzonder kenmerk. Het doet me onwillekeurig denken aan de plaasteren maquette van de grafkapel die Jan van Puyenbroeck ontwierp voor de dichter Jan Hammenecker, al lijkt het er waarschijnlijk niet eens op. Die maquette stond vroeger op een houten rek in de onderste kelder van het AMVC, het huidige Letterenhuis, en waarschijnlijk staat ze er vandaag nog. Waarom ik nu juist daaraan moet denken, weet ik ook niet, het is meer dan twintig jaar geleden dat ik het ding nog onder ogen kreeg en het is echt geen onvergetelijk kunstwerk dat zich onuitwisbaar in je herinnering vastzet. Het geheugen maakt soms rare sprongen. De Caterskapel staat overigens strikt genomen niet op Sint-Jobse grond, maar in ’s-Gravenwezel, sinds 1977 een deelgemeente van Schilde. Vlakbij, eveneens op het grondgebied van ’s-Gravenwezel, loopt de Mathildedreef, genoemd naar de echtgenote van Pierre de Caters. 


Pierre Henri Amédée baron de Caters de Bosschaert


Caterskapel. 's-Gravenwezel.
Foto Nora de Smet.

 

Gaspeldoorn komen we nergens tegen. Verwonderlijk lijkt me dat niet: aangezien ik de eerste 65 jaar van mijn leven nooit gaspeldoorn zag op Belgisch grondgebied, zou het wat vreemd zijn als ik hem, een week of twee na mijn toevallige ontdekking langs de antitankgracht, alweer op mijn weg zou vinden. Anderzijds was het wel mooi geweest om er mijn verhaal mee te kunnen afronden. We zijn immers in Sint-Job-in-’t-Goor. Het woordje goor tref je wel meer aan in plaatsnamen, bij mijn weten vooral in de Kempen: ik ken alvast een Gooreind in Wuustwezel en een Gooreind in Geel, en ik herinner me van het sportnieuws op de zondagmiddagradio lang geleden de voetbalploeg Witgoor Dessel. Wat “goor” betekent weten we natuurlijk allemaal min of meer: het heeft met viezigheid te maken. Het Groot woordenboek van de Nederlandse taal van Van Dale geeft een bijvoeglijk naamwoord en een substantief goor. Het adjectief betekent, als het wordt gezegd van land en water: “modderig”, “slijkerig”; bijvoorbeeld als in een goor land. Als je het zegt over spijs en drank, betekent het “bedorven” en “onsmakelijk”. Het kan voorts ook “niet helder” betekenen, of “onzindelijk”, “groezelig”, “ongewassen”, “vaal” enz. Het substantief betekent “slijk”, “modder” of “laaggelegen land”, “moeras” en ook (wat ik niet wist) “eendenkroos”. Al in het Middelnederlands bestond er een adjectief goor, “vies” en daarnaast ook een werkwoord goren, “vuil maken” en een substantief gore of goor, “slik”, “drek”, “moddersloot”, “vuiligheid”. Het etymologisch woordenboek van Van Dale vermeldt als verwante woorden het Oudengels gyrwefen, “moeras”, Oudnoors gjor, “bezinksel”, Gotisch gaurs, “bedroefd”, “treurig”, en Oudengels gyre, “mest”. Franck’s etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal brengt Middelnederlands goor direct in verband met “laagland”, “modder” en “slijk” en poneert ook verwantschap met Oudhoogduits en Angelsaksisch gor, “mest”, Oudhoogduits gorag, “armzalig”, “arm” en Iers gure, “pijnlijkheid”. Daarstraks zei ik al dat gorse, een van de namen voor Ulex europaeus op de Britse Eilanden, volgens taalkundigen kan worden afgeleid van een Proto-Indo-Europese wortel *gher, die de notie “borstelig” of “stekelig” weergeeft. Maar daar is niet iedereen het mee eens. Etymologie is een hogelijk hypothetische onderneming, en iedere reconstructie van een lang verdwenen grondwoord bevat een flinke dosis speculatie. Dat geldt dan vooral voor de semantische kant van de kwestie. Het hoeft dus niet te verwonderen dat voor sommige woorden meerdere etymologieën in omloop zijn, waarvan het meestal onmogelijk is te bepalen welke nu het dichtst bij de waarheid zit. Zo is het ook met gorse. Het Angelsaksische gorst betekende volgens Maud Grieve (A Modern Herbal), behalve gaspeldoorn, ook “a waste”, een wastine in het Nederlands: een ruig, waardeloos stuk land. Ik haast me hierbij mee te geven, dat ik deze betekenis van gorst nergens anders heb teruggevonden, behalve dan in een paar teksten die zich duidelijk op Grieve hebben gebaseerd. Ik weet ook niet waar Grieve haar mosterd heeft gehaald. Is voor haar, of volgens de bron waaruit zij putte, gorst dan verwant met gor, “vuiligheid”, “mest”? Ik weet het niet. Wel vind ik de semantische reeks gorse-gorst-gor heel aantrekkelijk, omdat ze als het ware het spiegelbeeld is van een andere. Er is immers nog whinwhinne of whins, eveneens een Engelse benaming voor de gaspeldoorn, die vooral verspreid is in die delen van de Britse Eilanden die eeuwenlang door de Noren en de Denen werden bezet: het noorden van Ierland, Schotland en de Danelaw – we ontmoetten het al in de Lyke Wake Dirge. Ook whin is blijkbaar verwant met woorden voor “vuil” en verwante begrippen. Whin komt via het Middelengels whynne, “gaspeldoorn” van het Oudnoors hvein of hvin, “gaspeldoorn”, verwant met Noors kvein, Zweeds ven, “struisgras”. Een Noors dialectwoord hven of hvein betekent “moerasland” en kan worden teruggevoerd tot een Proto-Germaans *hwainô, “moeras”, “veen”, dat op zijn beurt stamt van een Proto-Indo-Europees *kweyn-, “bevuilen”, “slijk”, “viezigheid”. Verwante woorden zijn Latijn caenum, “vuiligheid” (denk ook aan obscaenus, “obsceen”) en inquino, “bevuilen”. Als gorse van een woord is afgeleid dat “ruigte” of “wastine” betekent, heeft het in oorsprong precies dezelfde betekenis als whin. En het zou dan bovendien verwant zijn met ons Nederlandse goor.

 

Zodat Sint-Job-in-’t-Goor als het ware een uitgelezen groeiplaats zou zijn voor gaspeldoorn, zij het vooral om, weliswaar hogelijk hypothetische, historisch-linguïstische redenen. En al heb ik hem er voorlopig niet gevonden. Maar op het grondgebied van Sint-Job ligt er ook een stukje antitankkanaal. Misschien moet ik daar eens gaan neuzen.  


Gaspeldoorn. 
Uit J.E. Smith, English Botany, or Coloured Figures of British Plants (1864)

 

*** 


Post scriptum mei 2023


Ik blijf uitkijken naar gaspeldoorn. En met succes, want in Brasschaat blijkt de struik niet alleen naast de anti-tankgracht te groeien, maar bijvoorbeeld ook op het Klein Schietveld. Dat laatste ligt op het grondgebied van Maria-ter-Heide, vlakbij het dorp Gooreind (gemeente Wuustwezel). Misschien zijn mijn bespiegelingen over het verband tussen gorse en goor nog niet zó bij de haren getrokken. 

En o ja, ik vond ook een flinke populatie Ulex europaeus naast de E17 in Waasmunster. Volgens een vriendin zijn er ook groeiplaatsen in de buurt van Laarne. Daar moet ik ook eens gaan kijken. 



Bibliografie

 

AA: “Ulex europaeus”, in CABI Invasive Species Compendium, op https://www.cabi.org/isc/datasheet/55561#tosummaryOfInvasiveness. Laatst geraadpleegd 16 april 2022. AA: “Ulex”, in Wikipedia. The Free Encyclopedia, op https://en.wikipedia.org/wiki/Ulex. Laatst geraadpleegd 16 april 2022. AA: “Ulex cantabricus”, in Wikipedia. La encyclopedia libre, op https://es.wikipedia.org/wiki/Ulex_cantabricusLaatst geraadpleegd op 16 april 2022. AA: “Ulex borgiae”, in Wikipedia. La encyclopedia libre, op https://es.wikipedia.org/wiki/Ulex_borgiaeLaatst geraadpleegd op 16 april 2022. David E. Allen & Gabrielle HatfieldMedicinal Plants in Folk Tradition. An Ethnobotany of Britain & Ireland. Portland & London, Timber Press, 2004. George BenthamHandbook of the British Flora. A Description of the Flowering Plants and Ferns Indigenous to, or Naturalised in, the British Isles. Revised by J.D. Hooker. London, Lovell Reeve & Co., 1912. Marjorie Blamey & Christopher Grey-WilsonDe geïllustreerde flora. Tweede druk. Baarn, Uitgeversmaatschappij Tirion, 1992. Marjorie Blamey & Christopher Grey-WilsonWild Flowers of the Mediterranean. London, A&C Black, 2004 (1988). M.C. Blöte-ObbesBoom en struik in bos en veld. Over aard, gebruik en folklore van onze bomen en struiken, met inbegrip van onze gekweekte vruchtbomen. Utrecht, Uitgeversmaatschappij W. de Haan, 1953. Geert de Blust & Marc SlootmaekersDe Kalmthoutse HeideLeuven, Uitgeverij Davidsfonds, 1997. Lesley BremnessKruiden. Vertaald en bewerkt door Annemarie Brands & Hanneke van Dijk. Baarn, Bosch & Keuning, 1995. L.J.F. BrimbleThe Floral Year. London, Macmillan & Co., 1949. Jacques BrosseLarousse des Arbres et des ArbustesPréface de Jean-Marie Pelt. Paris, Larousse-Bordas, 2000. David BurnieFiori spontanei del mediterraneo. Milano, I Edizioni Manuali Fabbri, 1995. Alfredo CattabianiFlorario. Miti, leggende e simboli di fiori e pianteMilano, Arnoldo Mondadore Editore, 1996. Tina CecchiniEncyclopedie van geneeskrachtige planten. Vertaald en bewerkt door Rudolf Misset. S.l., Delfia Press, 1976. Pierre ChavotL’herbier des dieux. Pris, Éditions Dervy, 2009. A.R. Clapham, T.G. Tutin, E.F. WarburgFlora of the British Isles. Second edition. 5 vols. Cambridge, Cambridge University Press, 1957-1965. M. de CleeneGiftige plantengids. Alle giftige tuin-, kamer- en wilde planten met 200 afbeeldingen in kleur. Volledig bewerkte, derde druk. Baarn, Tirion Uitgevers, 2000 (1983). Marcel de CleeneDe plantencode. De betekenis van kruiden, struiken en bomen in de Europese volkscultuur. Leuven, Uitgeverij Davidsfonds, 2008. Marcel de CleeneDe Historia Naturalis. Geschiedenis van de kruidengeneeskunde. Gorredijk, Uitgeverij Sterck & De Vreese, 2019. Marcel de Cleene & Marie Claire LejeuneCompendium van rituele planten in Europa. Gent, Uitgeverij Stichting Mens en Kultuur, 1999. Christian CogneauxPlantes des haies champêtresIntroduction de Bruno Sirven. Rodez, Éditions du Rouerge, 2009. Peter CrawfordThe Living Isles. A Natural History of Britain and IrelandLondon, Book Club Association, 1986. Melissa van CrombruggheVan Sint-Janskruid tot papenkullen. Religieuze plantnaamgeving in het Nederlands.Masterscriptie Universiteit Gent Academiejaar 2007-2008. Gent, 2008. Michael DamesMythic Ireland. London, Thames & Hudson, 1992. Kris Decleer (red.): Europees beschermde natuur in Vlaanderen en het Belgisch deel van de Noordzee. Habitattypen / Dier- en plantensoorten. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoel INBO.M.2007.01. Brussel, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2007. Walter DeconinckPlantennamen nader toegelicht. De verklaring van de Nederlandse namen van de in Vlaanderen meest voorkomende planten. 2019. Op https://www.vob-ond.be/resources/Plantennamennadertoegelicht.pdfXavier DelamarreDictionnaire de la langue gauloise. Une approche linguistique du vieux-celtique continental. Préface de P.-Y. Lambert. 2e édition revue et augmentée. Paris, Éditions Errance, 2003. Rembert Dodoens: Crŭÿdeboeck: in den welcken die geheele historie dat es tgheslacht, tfatsoen, nae[m], natuere, cracht ende werckinghe, van den cruyden, niet alleen hier te lande wassende, maer oock van de[n] andere[n] Vremde[n] in der medecynen oorboorlijck, met grooter neersticheyt begrepen ende verclaert es, met der seluer cruyden natuerlijck naer dat leuen conterfeytsel daer by ghestelt / duer D. Rembert Dodoens ... Van nieuws ouersien, ende met seer veel schoone nieuwe figueren vermeerdert. Gheprint Thantwerpen, In die Cammerstrate inden Arent seghen Scarabaeum by my Jan vander Loe, 1563. Rembert Dodoens & Charles de l’Escluse: Histoire des Plantes de Rembert Dodoens. Traduction française suivi du Petit Recueil auquel est contenue la description d'aucunes gommes et liqueurs etc. par Charles de l'Escluse (1557). Fac-similé avec introduction, commentaires et la concordance avec la terminologie scientifique modern, par J.-E. Opsomer. Bruxelles, Centre National d’Histoire des Sciences, 1978. Guy DucourthialFlore magique et astrologique de l’Antiquité. Préface de Danielle Gourevitch. Paris, Éditions Belin, 2003. Leni DuistermaatHeukels’ Flora van Nederland. Groningen, Noordhoff Uitgevers, 2020. Steven Foster & Rebecca L. JohnsonDesk Reference to Nature’s Medicine. Washington D.C., National Geographic Society, 2006. Robert Gathorne-HardyWild Flowers in Britain. Second Edition, Revised. London, B.T. Batsford, 1943. James George Frazer: The Golden Bough. A Study in Magic and Religion. 13 vols. Third edition. London, Macmillan & Co. & New York, St. Martin’s Press, 1955 (1910-1915). Harry GarmsPlanten en dieren van Europa. Een praktische gids bij het waarnemen van planten en dieren in de vrije natuurAmsterdam & Brussel, Elsevier, 1964. John Gerard: The Herbal or General History of Plants. The Complete 1633 Edition as Revised and Enlarged by Thomas Johnson. New York, Dover Publications, 1975. Robert GravesThe White Goddess. A historical grammar of poetic myth. Amended and enlarged edition. London, Faber & Faber, 1961. Edith Grey WeelwrightMedicinal Plants and Their History. New York, Dover Publications, 1974 (1935). M. GrieveA Modern Herbal. The Medicinal, Culinary, Cosmetic and Economic Properties, Cultivation and Folklore of Herbs, Grasses, Fungi, Shrubs and Trees with All Their Modern Scientific Uses. Edited and introduced by C.F. Leyel. Harmondsworth, Penguin Books, 1984 (1931). Geoffrey GrigsonA Dictionary of English Plant Names (and Some Products of Plants.) London, Allen Lane, 1974. Geoffrey GrigsonThe Englishman’s Flora. Foreword by Jane Grigson. Introduction by William T. Stearn. London, The Folio Society1987 (1955). J. Gwenogvryn Evans (ed.): Poems from the Book of Taliesin. Tremvan, Llanbedrog, 1915. Gabrielle HatfieldEncyclopedia of Folk Medicine. Old World and New World Traditions. Santa Barbara, Denver & Oxford, ABC-CLIO, 2004. Gabrielle HatfieldHatfield’s Herbal. The Curious Stories of Britain’s Wild Plants. London, Penguin Books, 2009 (2007). E. Heimans, H.W. Heinsius & Jac.P. ThijsseGeïllustreerde Flora van Nederland. Handleiding voor het bepalen van de naam der in Nederland in het wild groeiende en verbouwde gewassen en van een groot aantal sierplanten. Eenentwingste druk, bewerkt door J. Heimans, met medewerking van J.H. Kern, G. Kruseman Jr. en Th. Reichgelt. Amsterdam & Antwerpen, W. Versluys, 1965. H. HeukelsWoordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten uit de gegevens, verzameld door de Commissie voor Nederlandsche Plantennamen. Utrecht, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, 1987 (1907). John HutchinsonBritish Wild Flowers. First hardback edition, revised. 2 vols. Newton Abbot, David & Charles, 1972 (1945). Della HookeTrees in Anglo-Saxon England. Literature, Lore and Landscape. Woodbridge, The Boydell Press, 2010. C.A. JohnsFlowers of the Field. Revised troughout and Edited by Clarence Elliott. With an Appendix Including the Pipe-Wort Tribe (Ericauleae), the Sedge Tribe (Cyperaceae), and the Grass Tribe (Gramineae). Thirteenth Impression. London, George Routledge & Sons; New York, E.P. Dutton & Co, s.a. Philippe JouëtDictionnaire de la Mythologie et de la Religion Celtiques. Préface de Venceslas Kruta. Fouesnant, Yoran Embanner, 2012. W. Keble MartinThe Concise British Flora in Colour. With nomenclature edited and revised by Douglas H. Kent. Second (revised) edition. George Rainbird, 1969 (1965). H. KleijnPlanten en hun naam. Een botanisch lexicon voor de Lage Landen. Met een inleiding door Fop I. Brouwer. Amsterdam, Meulenhoff Nederland, 1979 (1970). John T. Koch (ed.): Celtic Culture. A Historical Encyclopedia. 5 vols. Santa Barbara, Denver & Oxford, ABC-CLIO, 2006. John T. Koch & John Carey (eds.): The Celtic Heroic Age. Literary Sources for Ancient Celtic Europe and Early Ireland and Wales. Fourth edition, revised and expanded. Aberystwyth, Celtic Studies Publications, 2003. Venceslas KrutaLes Celtes. Histoire et dictionnaire. Des origines à la romanisation et au christianismeParis, éditions Robert Laffont, 2000. Wouter van Landuyt, Ivan Hoste, Leo Vanhecke, Ward Vercruysse, Paul van den Bremt & Dirk de Beer (red.): Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussels Gewest. Brussel, Instituut voor Natuur- en bosonderzoek & Meise, Nationale Plantentuin van België, 2006. J.E. de Langhe, L. Delvosalle, J. Duvigneaud, J. Lambinon, C. vanden Berghen & L. VanheckeFlora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridofyten en Spermatofyten). Ongewijzigde herdruk, tweede editie. Meise, Nationale Plantentuin van België, 1995. Margaret Law Callcott (ed.): Mistress of Riversdale. The Plantation Letters of Rosalie Stier Calvert 1795-1821. Edited and translated by Margaret Law Callcott. Baltimore & London, The Johns Hopkins University Press, 1991. Pierre LieutaghiLe Livre des Arbres, Arbustes et ArbrisseauxNouvelle édition. Arles, Actes Sud, 2004 (1969). A.T. LucasFurze. A Survey and History of Its Uses in Ireland. Dublin, An Cumann le Béaloideas Éireann – The Folklore of Ireland Society, 1960. Richard MabeyFlora Britannica. London, Sinclair-Stevenson, 1996. Richard MabeyFlora Britannica. The Concise Edition. London, Chatto & Windus, 1998. Richard MabeyWeeds. How vagabond plants gatecrashed civilization and changed the way we think about nature. London, Profile Books, 2010. Richard Mabey & Tony Evans: The Flowering of Britain. London, Hutchinson & Co., 1980. Niall Mac CoitirIrish Trees. Myths, Legends & Folklore. Wilton, Cork, The Collins Press, 2003. David McClintock, R.S.R. Fitter & Francis Rose: The Pocket Guide to Wild Flowers. London, Collins, 1961 (1956). James MacKillopDictionary of Celtic Mythology. Oxford & New York, Oxford University Press, 1998. Bert Maes (red.): Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen. Herkenning, verspreiding, geschiedenis en gebruik. Amsterdam, Boom, 2006. J. MennemaHeimans, Heinsius en Thijsse’s Geïllustreerde Flora van Nederland, België en Luxemburg en aangrenzend Duitsland en Frankrijk. 23e, geheel herziene druk, 2e oplage. Antwerpen, Uitgeverij Den Gulden Engel, 1995. Éloïse MozzaniLe livre des superstitions. Mythes, croyances et légendes. Paris, Éditions Robert Laffont, 1995. Josef MurrDie Pflanzenwelt in der Griechischen Mythologie. Groningen, Verlag Bouma’ Boekhuis N.V., 1969 (1890). Dáithí Ó hÓgáinThe Lore of the Land. An Encyclopedia of Myth, Legend and RomanceWoodbridge, The Bydell Press, 2006. S.J. van OoststroomHeukels-Van Ooststroom Flora van Nederland. Groningen, Wolters-Noordhoff, 1977. Jean-Paul PersigoutDictionnaire de mythologie celtiquePréface de Bernard Sergent. Paris, Éditions Imago, 2009. Sandro PignattiFlora d’Italia. 3 vols. Bologna, Edagricole, 2002. Plinius : De wereld. Naturalis historia. Vertaald door Joost van Gelder, Mark Nieuwenhuis & Tom Peters. Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2005. Pliny : Natural History. 10 vols. With an English Translation by H. Rackham, W.H.S. Jones & D.E. Eichholz. Cambridge, Massachusetts, Harvard University Press & London, William Heinemann, 1979-1984 (1938-1962). W.J. Prud’homme van ReineWat vind ik in de duinen? Excursieboekje voor de Nederlandse duinenterreinen langs de Noordzee5de druk. Zutphen, W.J. Thieme & Cie, 1967 (1950). Oliver RackhamThe History of the Countryside. The classic history of Britain’s landscape, flora and fauna. London, Phoenix Press, 2000 (1986). Oliver RackhamThe Illustrated History of the Countryside. London, Weidenfeld & Nicolson, 1994. Christian RätschThe Encyclopedia of Psychoactive Plants. Ethnopharmacology and its Applications. Foreword by Albert Hofmann. Rochester, Vermont, Park Street Press, 2005. Alfred Barton RendleThe Classification of Flowering Plants. 2 vols. Second edition. Cambridge, Cambridge University Press, 1930. Alain Rey (dir.): Dictionnaire historique de la langue française. Nouvelle édition. Paris, Dictionnaires Le Robert, 2010. Eugène RollandFlore populaire ou histoire naturelle des plantes dans leurs rapports avec la linguistique et le folklore.Paris, Éditions G.P. Maisonneuve et Larose, 1967. A. SchierbeekAcht en twintig eeuwen bloembestuivingDen Haag, Servire, 1947. Paul SébillotCroyances, mythes et légendes des pays de France. Édition établie par Francis Lacassin. Paris, Omnibus, 2002. Eug. de SeynGeschied- en Aardrijkskundig Woordenboek der Belgische gemeenten. Tweede, bijgewerkte uitgave. 2 dln. Turnhout, Uitgaven Brepols, s.a. (1951). Daniel Simberloff & Marcel Rejmanek (eds.): Encyclopedia of Biological Invasions. Berkeley, Los Angeles & London, University of California Press, 2011. M. Skytte Christiansen & H. AntonNieuwe flora in kleur. Zaadplanten. Vierde druk. Amsterdam, Moussault’s Uitgeverij, 1971 (1965). J.E. SluitersPrisma-flora. Utrecht & Antwerpen, Het Spectrum, 1963. Hans-Wilhelm SmolikDe natuur in lente, zomer, herfst en winter2 dln. Utrecht & Antwerpen, Het Spectrum, 1962. Edward StepWild Flowers Month by Month in their Natural Haunts. 2 vols. London & New York, Frederick Warne & Co., 1905. Gerhard K.F. Stinglwagner, Ilse E. Haseder & Reinhold ErlbeckDas Kosmos Wald- und Forst-Lexikon4. Auflage. Stuttgart, Franckh-Kosmos Verlags-GmbH & Co., 2009 (1998). Richard le StrangeKroniek der geneeskruiden. Naarden, A.J.G. Strengholt’s Boeken, 1982. Guido Tack, Paul van denBremt & Martin HermyBossen van Vlaanderen. Een historische ecologie. 2de druk. Leuven, Uitgeverij Davidsfonds, 1993. Is. TeirlinckFlora magica. De plant in de tooverwereld. Antwerpen, De Sikkel, 1930. Is. TeirlinckPlantenkultus. Amsterdam, Uitgeverij Schors, 1980 (1904). Omer Vandeputte (red.): Erfgoedbibliotheek van de Belgische gemeenten. Antwerpen. Tielt, Uitgeverij Lannoo, 2011. Omer Vandeputte (red.): Gids voor Vlaanderen en Brussel. Toeristische en culturele gids voor alle steden en dorpen in Vlaanderen. Tielt, Uitgeverij Lannoo; Zwijndrecht, VAB & Antwerpen, vtbKultuur vzw, 2014. P.A.F. van Veen & Nicoline van der Sijs (ism): Etymologisch woordenboek. De herkomst van onze woorden. Utrecht & Antwerpen, Van Dale Lexicografie, 1990. Roy VickeryA Dictionary of Plant-Lore. Oxford & New York, Oxford University Press, 1995. Roy VickeryVickery’s Folk Flora. An A-Z of the Folklore and Uses of British and Irish Plants. London, Weidenfeld & Nicolson, 2019. E.J. Weeda, R. Westra, Ch. Westra & T. WestraNederlandse oecologische flora. Wilde planten en hun relaties.Amsterdam, IVN, 1985-1994. Philippe van WerschFolklore van wilde planten in België en Nederland. Baarn, Hollandia, 1977. V. Westhoff, P.A. Bakker, C.G. van Leeuwen, E.E. van de Voo & J.S. ZonneveldWilde planten. Flora en vegetatie in onze natuurgebieden. 3 dln. S.l., Vereniging tot behoud van natuurmonumenten in Nederland, 1970-1973. N. van WijkFranck’s etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal. Tweede onveranderde druk. Met supplement door C.B. van Haeringen. Leiden, Martinus Nijhoff, 1984 (1912/1936). John WrightA Natural History of the Hedgerow and Ditches, Dykes and Dry Stone Walls. London, Profile Books, 2016. 


Gaspeldoorn (Ulex europaeus). Brasschaat, maart 2022.
Foto Nora de Smet.

 Clement Caremans (c) 2022